Waar trauma lust vermomt als liefde
Hoe oude wonden verlangen sturen
​
​
Inleiding: De kern van de verwarring
Wanneer verlangen en liefde in veilige omstandigheden samenkomen, ontstaat er een vanzelfsprekende wisselwerking tussen lichamelijke aantrekking en emotionele aanwezigheid. Maar in relaties die getekend zijn door trauma, hechtingsonveiligheid of innerlijke leegte, raken beide fenomenen met elkaar verstrengeld. Wat eigenlijk een reactie van het zenuwstelsel is, wordt gelezen als bewijs van verbondenheid. En wat ís, wordt minder belangrijk dan wat gehoopt wordt. Hierdoor ontstaat een vorm van verwarring die niet oppervlakkig is, maar diep in het lichaam en het psychisch systeem verankerd zit.
De kern van die verwarring ligt in de manier waarop het lichaam reageert op spanning. Het zenuwstelsel maakt geen onderscheid tussen een relatie die gezond is en een relatie die intens is. Spanning, in de vorm van onzekerheid, hunkering, idealisering of afwijzing, activeert krachtige neurobiologische systemen. De dopaminerespons stijgt, de cortisolproductie neemt toe en het lichaam ervaart een mix van opwinding en angst die gemakkelijk kan worden geïnterpreteerd als aantrekking. In zulke dynamieken voelt nabijheid urgent, terwijl veiligheid ontbreekt.
Hechtingspsychologie laat zien dat mensen met een achtergrond van inconsistente zorg vaak gevoelig zijn voor deze verwarring. Onvoorspelbaarheid wordt ervaren als een signaal van betekenis, omdat het overeenkomt met vroegere ervaringen. Het lichaam herkent spanning als vertrouwd en dus als belangrijk, ook als het in werkelijkheid schadelijk is. Hierdoor kan een relatie die onveilig of ontregelend is, toch voelen alsof er sprake is van een diepe emotionele band. Niet omdat de relatie gezond is, maar omdat het systeem reageert vanuit oude patronen.
Trauma voegt daar nog een laag aan toe. Wanneer iemand is opgegroeid met emotionele afwezigheid, verwaarlozing of fragmentatie, ontstaat er een innerlijke hunkering die niet alleen gericht is op liefde, maar op herstel van een vroeg tekort. In volwassen relaties wordt dat tekort gemakkelijk geprojecteerd op mensen die zelf niet beschikbaar zijn. De intensiteit van de hunkering wordt dan verward met liefde, terwijl het in wezen een poging is om een oude wond te helen via iemand die die heling niet kan bieden.
In mijn eigen ervaring werd die verwarring zichtbaar in de relatie waarin lichamelijke aantrekking en emotionele onveiligheid samenvielen. De intensiteit van het begin voelde betekenisvol, maar die intensiteit was vooral een reactie op spanning, niet op wederkerige liefde. De momenten van aantrekking gingen samen met momenten van ontregeling en juist die combinatie versterkte de illusie dat de relatie bijzonder was. Ik interpreteerde mijn verlangen als verbondenheid, terwijl het vooral een reactie was op het gevoel dat ik iets moest najagen wat steeds net buiten bereik bleef.
Dit tweede essay binnen het thema Lust of Liefde onderzoekt die dynamiek: hoe trauma, hechtingspatronen en neurobiologische processen verlangen kunnen vervormen tot iets dat op liefde lijkt, maar het niet is. Niet om verlangen te diskwalificeren, maar om helder te maken wat er gebeurt wanneer spanning een grotere rol speelt dan wederkerigheid. Het doel is expliciet: begrijpen hoe het komt dat relaties die ons pijn doen soms juist het meest overtuigend voelen. En waarom echte liefde uiteindelijk een heel andere toon heeft dan intensiteit die voortkomt uit trauma.
Hechtingsonveiligheid en het lichaam dat blijft hopen
Hechting vormt de blauwdruk van hoe we verlangen, verbinden en verliezen. Wat we als kind hebben geleerd over nabijheid en veiligheid, bepaalt later hoe ons lichaam reageert wanneer we iemand ontmoeten die iets in ons activeert. In veilige relaties verloopt dat proces relatief stabiel: het lichaam opent zich langzaam, het zenuwstelsel blijft gereguleerd en verlangen wordt gedragen door vertrouwen. Maar wanneer hechting onveilig was, krijgt verlangen een andere lading. Het wordt gedreven door hoop, hunkering, anticipatie en angst; vaak allemaal tegelijk.
Mensen met een angstige hechtingsstijl ervaren nabijheid als iets dat voortdurend kan verdwijnen. Omdat liefde in het verleden onvoorspelbaar was, wordt volwassen verlangen gemakkelijk gekleurd door angst om opnieuw te worden verlaten. Het lichaam reageert met een intense gerichtheid op de ander, alsof die nabijheid noodzakelijk is om innerlijke stabiliteit te behouden. Het verlangen wordt dan niet gevoed door wederkerigheid, maar door de behoefte om zekerheid te verkrijgen waar die nooit gegarandeerd was.
Bij een vermijdende hechtingsstijl gebeurt bijna het tegenovergestelde, maar komt de verwarring net zo sterk terug. Vermijdend gehechte mensen houden emotionele afstand uit zelfbescherming, maar kunnen tegelijkertijd sterk reageren op externe bevestiging en begeerte. Seksuele aandacht of flirterige spanning kan een manier zijn om betrokkenheid te voelen zonder zich echt open te stellen. De ander wordt dan een middel om controle te behouden in plaats van een partner om mee te verbinden.
Wat deze twee hechtingspatronen verbindt, is dat ze elkaar aantrekken in relaties waar lust wordt verward met liefde. De angstig gehechte partner raakt geobsedeerd door de fluctuatie tussen nabijheid en afstand; elke vorm van aandacht voelt als een teken van betekenis. De vermijdend gehechte partner voelt zich op zijn beurt bevestigd door de hunkering van de ander, zonder dat het tot echte intimiteit leidt. Beide systemen versterken elkaar: de ene zoekt nabijheid, de andere benut spanning en het lichaam verwart die dynamiek met liefde.
In mijn eigen proces werd duidelijk hoe sterk het lichaam vasthoudt aan wat bekend is, zelfs wanneer het pijn doet. De hunkering die ik voelde in een onveilige relatie was geen bewijs van liefde, maar een echo van oude structuren. Het lichaam bleef hopen dat nabijheid hersteld kon worden, dat het gemis werd opgevuld, dat onvoorspelbaarheid zou omslaan in veiligheid. Die hoop voelde intens en echt, maar kwam niet voort uit wederkerige liefde. Het was een hechtingsrespons die zich vastklampte aan de illusie van verandering.
De polyvagaal-theorie helpt dit verder te begrijpen. Het zenuwstelsel scant voortdurend op signalen van veiligheid of gevaar. In onveilige relaties raakt dat systeem ontregeld: er is net genoeg nabijheid om het gevoel van verbondenheid te activeren, maar te weinig consistentie om het systeem tot rust te brengen. Daardoor blijft het lichaam in een staat van verhoogde alertheid. Die alertheid wordt vervolgens geïnterpreteerd als aantrekking, terwijl het in werkelijkheid een biologische noodrespons is.
Hechtingsonveiligheid zorgt er dus niet alleen voor dat verlangen sterker wordt; het maakt verlangen ook minder betrouwbaar. Het lichaam blijft hopen, reikt opnieuw uit en probeert grip te krijgen op een dynamiek die in wezen onveilig is. Liefde wordt dan niet ervaren als rust, maar als spanning. En juist die spanning maakt dat het moeilijk wordt om te zien dat wat intens voelt, niet hetzelfde is als wat goed is.
Traumaresponsen die verlangen vervormen
Trauma beïnvloedt niet alleen hoe we denken en voelen, maar ook hoe we verlangen. Het zenuwstelsel reageert niet neutraal op nabijheid wanneer iemand is gevormd door vroegkinderlijke onveiligheid of later relationeel trauma. In plaats van rust en openheid, kan nabijheid spanning of verwarring oproepen. Het lichaam probeert voortdurend te beoordelen: Is dit veilig? Moet ik rennen? Moet ik blijven? Moet ik me aanpassen? Die onderliggende spanning vervormt de manier waarop verlangen wordt ervaren.
Binnen de polyvagaal-theorie wordt dit mechanisme zichtbaar. Het autonome zenuwstelsel bestaat uit verschillende responsen: fight, flight, freeze en fawn. In intieme relaties wordt vooral de fawn-respons zichtbaar: een neiging om te pleasen, te sussen, je aan te passen of jezelf te verliezen in de ander. Deze respons kan paradoxaal genoeg ervaren worden als aantrekking. De spanning die het veroorzaakt, voelt intens en gericht en wordt daardoor gemakkelijk verward met chemie of passie.
Een andere traumareactie die verlangen beïnvloedt, is dissociatie. Dissociatie ontstaat wanneer het zenuwstelsel wordt overspoeld en tijdelijk de verbinding met gevoelens en lichaam verliest. In intieme situaties kan dit leiden tot een vorm van nabijheid die lichamelijk is, maar emotioneel leeg. Seksualiteit voelt dan vervreemd: het lichaam doet mee, maar de innerlijke wereld blijft afgesloten. Dit creëert een dynamiek waarin lust wordt beleefd als een vlucht, niet als een ontmoeting.
Wanneer iemand die dissociatief geneigd is in een relatie terechtkomt met iemand die opwinding en bevestiging zoekt, ontstaat een uitzichtloze cyclus. De één zoekt intensiteit om innerlijke leegte te doven, de ander past zich aan om conflict te vermijden. Het verlangen dat tussen hen ontstaat, heeft weinig te maken met liefde en veel met ontregeling. Het lichaam reageert op spanning, angst en onvoorspelbaarheid, niet op wederkerigheid of veiligheid.
In mijn eigen ervaring merkte ik hoe mijn lichaam soms reageerde op prikkels die achteraf niets met liefde te maken hadden. Onzekerheid maakte dat ik sterker ging verlangen, alsof de relatie van mijn aandacht afhing. Perioden van afstand of emotionele onbereikbaarheid activeerden oude patronen van streven en hopen. Het voelde als aantrekking, maar het was in werkelijkheid een herhaling van oude traumaresponsen: een poging om controle te krijgen over iets wat nooit echt beschikbaar was.
Trauma zorgt ervoor dat het lichaam spanning leest als betekenis. Als iemand vroeger moest leren overleven in onvoorspelbare situaties, gaat het zenuwstelsel onrust verwarren met verbinding. De intensiteit wordt dan geïnterpreteerd als diepte, terwijl het slechts een reactie is van een systeem dat bang is om opnieuw verlaten of afgewezen te worden. Daardoor blijft men investeren in relaties die niet voedend zijn, in de hoop dat de dynamiek ooit zal omslaan in stabiliteit.
Het begrijpen van deze traumaresponsen is essentieel om verlangen in zijn juiste context te plaatsen. Verlangen dat voortkomt uit trauma is niet minder echt, maar het draagt een andere structuur. Het zoekt herstel van iets ouds, niet de opbouw van iets nieuws. Het reikt naar iemand niet omdat die persoon veilig is, maar omdat hij of zij een patroon activeert dat vertrouwd voelt.
Wanneer deze dynamiek herkend wordt, ontstaat er ruimte om verlangen te herinterpreteren. In plaats van een signaal van liefde, kan het worden gezien als een uitnodiging tot zelfonderzoek: Welke oude beweging wordt hier geactiveerd? Waar reageert mijn lichaam eigenlijk op? En wat heb ik nodig om niet in deze herhaling gevangen te blijven? Die vragen vormen de eerste stap in het herstellen van de relatie tussen verlangen en waarheid.
Intermitterende bekrachtiging: de neurobiologie van verslaving aan de ander
In relaties die worden gekenmerkt door wisselende nabijheid en afstand, ontstaat een dynamiek die diep ingrijpt op het zenuwstelsel. Onvoorspelbaarheid is één van de krachtigste triggers voor dopamine, het neurotransmittersysteem dat gericht is op anticipatie en beloning. Wanneer iemand inconsistent gedrag vertoont — warmte gevolgd door kilte, aandacht gevolgd door stilte — reageert het lichaam met verhoogde alertheid. Die alertheid wordt vervolgens ervaren als aantrekkingskracht. De relatie wordt daardoor niet alleen psychologisch, maar ook biologisch verslavend.
Dit mechanisme, bekend als intermitterende bekrachtiging, is uitgebreid onderzocht binnen de gedragspsychologie. Het principe is eenvoudig: een beloning die soms wel en soms niet komt, creëert veel sterkere conditionering dan een beloning die altijd aanwezig is. In intieme relaties betekent dit dat juist de momenten van afstand de band versterken, omdat het lichaam harder gaat zoeken naar de volgende bevestiging. Liefde wordt daardoor niet opgebouwd uit veiligheid, maar uit onrust.
De neurobiologie van deze dynamiek laat zien hoe diep het ingrijpt. De afwisseling tussen beloning en ontzegging activeert zowel dopamine als cortisol. Dopamine creëert verlangen en anticipatie; cortisol verhoogt stress en spanning. Samen produceren ze een emotionele staat die intens voelt, maar die gemakkelijk wordt verward met passie. Het lichaam raakt afhankelijk van de cyclus van opwinding en opluchting, zelfs wanneer die cyclus psychologisch schadelijk is.
In relaties waarin lust wordt ingezet als een vorm van bevestiging, kan deze dynamiek nog verder worden versterkt. Perioden van afstand gevolgd door plotselinge lichamelijke toenadering creëren een patroon dat het zenuwstelsel interpreteert als betekenisvol. De fysieke nabijheid voelt dan bevrijdend, niet omdat er sprake is van liefde, maar omdat het tijdelijk de stressreactie onderdrukt die door de eerdere afstand was geactiveerd. Het lichaam ervaart verlichting en die verlichting wordt geïnterpreteerd als verbinding.
In mijn eigen ervaring merkte ik hoe sterk deze cyclus werkte. Momenten van afstand maakten dat ik sterker verlangde naar nabijheid. Wanneer die nabijheid vervolgens wél kwam, voelde het alsof er iets essentieels werd hersteld. Maar wat hersteld werd, was geen liefde — het was de stressbalans van mijn eigen lichaam. De beloning voelde groot omdat de ontzegging pijnlijk was geweest. De intensiteit van het verlangen was in feite een reactie op ontregeling.
Dit patroon is des te verwarrender omdat het subjectief aanvoelt als diepte. De spanning voelt alsof er iets tussen twee mensen gebeurt, terwijl die spanning vooral wordt veroorzaakt door neurobiologische reacties op inconsistentie. Passie wordt dan een bijproduct van onveiligheid. Dat maakt intermitterende bekrachtiging zo gevaarlijk: het laat relaties bijzonder lijken, juist doordat ze onvoorspelbaar en instabiel zijn.
Het erkennen van deze dynamiek is een belangrijke stap richting bevrijding. Wanneer je begrijpt dat het lichaam reageert op schommelingen in nabijheid, wordt duidelijk waarom bepaalde relaties zo moeilijk los te laten zijn. Het is niet de ander die zo uniek is, maar het patroon dat zo intens werkt. De verslaving zit niet in de persoon, maar in de cyclus.
Helderheid ontstaat wanneer je dit patroon begint te zien voor wat het is: een neurobiologische reactie, geen teken van liefde. De relatie voelt intens omdat het zenuwstelsel ontregeld is, niet omdat er sprake is van emotionele wederkerigheid. Inzicht in deze dynamiek doorbreekt de illusie dat onvoorspelbaarheid gelijk staat aan diepte. Het maakt ruimte voor relaties waarin nabijheid niet afhangt van spanning, maar van stabiliteit en waarin liefde geen rollercoaster is, maar een rustige, gedragen aanwezigheid.
De rol van leegte en zelffragmentatie bij lust zonder liefde
Relaties waarin lust wordt gebruikt als bevestiging in plaats van als uitdrukking van verbondenheid, zijn vaak geworteld in een dieper psychisch tekort. Wanneer iemand niet beschikt over een stabiel gevoel van zelf, ontstaat er een vorm van innerlijke leegte die voortdurend om externe prikkels vraagt. Lust, aandacht en begeerte worden dan geen vrije uitwisseling tussen twee mensen, maar manieren om een gefragmenteerd innerlijk te stabiliseren. De ander krijgt in zo’n dynamiek geen subjectstatus, maar functioneert als spiegel waarin bestaansrecht wordt gezocht.
Binnen de objectrelatietheorie wordt dit fenomeen uitgebreid beschreven. Kernberg stelt dat mensen met een zwak geïntegreerd zelf moeilijk toegang hebben tot duurzame, wederkerige liefde. In plaats daarvan wordt de ander gebruikt als regulatiemiddel: als bron van idealisering, opwinding, macht of bewondering. Seksuele aandacht, flirtgedrag of constante behoefte aan bevestiging dienen dan als tijdelijke oplossingen voor een dieper liggende leegte. De ander wordt geen partner, maar een container voor ongeordende innerlijke processen.
Deze dynamiek heeft direct invloed op de kwaliteit van intimiteit. Wanneer iemand vooral zoekt naar prikkels die het gevoel van leegte dempen, wordt seksualiteit losgekoppeld van emotionele aanwezigheid. De fysieke nabijheid kan intens zijn, maar het zelf blijft gesloten. De aanraking is werkelijk, maar de ontmoeting niet. De partner voelt de spanning, de opwinding en de honger, maar niet de wederkerigheid. Dat creëert een vorm van intimiteit die aan de oppervlakte krachtig lijkt, maar existentieel hol is.
In mijn eigen ervaring werd dit pijnlijk duidelijk. Er waren momenten waarop lichamelijke aandacht overvloedig was, maar emotionele aanwezigheid afwezig bleef. Achter de intensiteit zat geen werkelijk zien of erkennen. De aantrekkingskracht voelde groot, maar de leegte in de ander was nog groter. Het lichaam werd gebruikt als middel om bevestiging te krijgen, maar de relatie bood geen innerlijke bedding. Die combinatie — veel lichamelijke nabijheid, weinig emotionele diepte — maakte de verwarring compleet. Het voelde alsof ik aanwezig was in een relatie die alleen op de buitenkant bestond.
De filosofie van Buber helpt om dit scherp te zien. Hij maakt onderscheid tussen Ik–Jij-relaties, waarin twee mensen elkaar als volledige personen ontmoeten, en Ik–Het-relaties, waarin de ander wordt gebruikt als middel voor een doel. Lust zonder liefde behoort vrijwel altijd tot dat laatste domein. Er is wel interactie, maar geen ontmoeting. De ander wordt gereduceerd tot functie: iemand die spanning wegneemt, bewondering geeft of tijdelijke existentiële rust biedt.
De partner die emotioneel wel beschikbaar is, komt hierdoor in een kwetsbare positie terecht. De intensiteit van de lichamelijke relatie kan doen geloven dat er sprake is van verbinding. Maar telkens wanneer je probeert emotioneel contact te zoeken, stuit je op leegte. Dat creëert een cyclus van hunkering, hoop en teleurstelling. Het lichaam blijft reageren op de intensiteit, terwijl het hart steeds opnieuw ervaart dat er niets terugkomt.
Deze dynamiek maakt duidelijk waarom lust zonder innerlijke aanwezigheid nooit duurzaam kan zijn. Het lichaam kan worden aangeraakt, maar het Zelf blijft alleen. De relatie draait niet om wederkerigheid, maar om regulatie. De intensiteit verhult de leegte, maar geneest die niet. Voor degene die liefheeft, betekent dit dat verlangen voortdurend wordt verward met reddersrespons: je probeert de ander te bereiken, te vullen, te helen — iets wat per definitie onmogelijk is wanneer de ander zichzelf niet kan ontmoeten.
Het erkennen van deze leegte is confronterend, maar ook bevrijdend. Het maakt duidelijk dat niet het verlangen verkeerd was, maar de plek waar het terechtkwam. Lust zonder liefde is geen verbinding, maar een circulaire beweging van iemand die een bevestiging zoekt die nooit genoeg zal zijn. Pas wanneer dat zichtbaar wordt, ontstaat de ruimte om te kiezen voor relaties waarin het zelf niet wordt gebruikt, maar wordt gezien.
De persoonlijke casus: hunkering, verwarring en de ontzielde dynamiek
In mijn eigen relatie werd de verwarring tussen lust en liefde niet theoretisch zichtbaar, maar in concrete momenten waarin lichaam, psyche en relatiepatroon elkaar kruisten. Wat in het begin voelde als sterke aantrekkingskracht, werd gaandeweg een dynamiek waarin verlangen, hoop en ontregeling in elkaar grepen. De intensiteit van het lichamelijke contact maskeerde de afwezigheid van emotionele diepte en juist die combinatie maakte de relatie misleidend krachtig.
Eén van de meest bepalende elementen was de inconsistentie. Periodes van warmte, lichamelijke nabijheid en intimiteit werden afgewisseld met momenten van afstand, kilte of emotionele afwezigheid. Die schommelingen activeerden telkens opnieuw een diepe hunkering in mij. Het lichaam reageerde op de momenten van nabijheid alsof er sprake was van verbinding, maar die reactie was grotendeels een ontlading van stress die door eerdere afstand of onverschilligheid was opgebouwd. De opluchting voelde als intimiteit, terwijl het eigenlijk een neurobiologische reset was.
Daarnaast waren er momenten waarop seksualiteit werd ingezet zonder innerlijke betrokkenheid. De fysieke handelingen waren aanwezig, maar de emotionele toon was vlak. De aanraking was er, maar de ontmoeting niet. Achter het verlangen leek geen wederkerigheid te zitten, maar een behoefte aan bevestiging en bestaansrecht. De ander leek vooral op zoek naar regulatie — naar het gevoel begeerd te worden, bewonderd, gezien en gewild. De blik zocht geen diepte, maar respons. De nabijheid voelde daardoor vaak ontzielde: een lichaam dat contact maakt zonder dat er een hart meeklinkt.
Een cruciaal inzicht ontstond in situaties waarin seksuele escapades buiten de relatie op een vlakke, bijna nonchalante manier werden beschreven. Niet de daad zelf, maar de manier waarop die werd verteld maakte duidelijk hoezeer seksualiteit werd gebruikt als bevestiging. De toon was koel, rationeel, afstandelijk. Er was geen reflectie, geen empathie, geen gevoel voor de impact ervan. Dat gebrek aan innerlijke beweging liet zien dat lust niet was verweven met liefde, maar met leegte. Het was een strategie om zichzelf bestaand te voelen, niet een teken van verbondenheid.
Voor mij veroorzaakte dit een diep gevoel van verwarring. Mijn lichaam bleef reageren op de intensiteit, terwijl mijn emotionele wereld geen erkenning kreeg. Ik verlangde naar verbinding, maar werd geconfronteerd met een dynamiek die vooral draaide om de behoeften van de ander. De momenten van intimiteit voelden als beloning na ontzegging, waardoor ik ze interpreteerde als betekenisvol. Pas later zag ik dat de betekenis in mijn interpretatie lag, niet in de werkelijkheid van de relatie.
Deze casus laat zien hoe gemakkelijk lust en liefde verward raken in een context van trauma, ontregeling en innerlijke leegte. De intensiteit van het begin, de schommelingen in nabijheid, de ontzielde seksualiteit en het gebrek aan emotionele aanwezigheid vormen samen een patroon dat voor het lichaam vertrouwd aanvoelt en daardoor verleidelijk sterk is. Maar die intensiteit is geen teken van diepte; het is een reactie op spanning en niet op wederkerigheid.
Het erkennen van deze dynamiek was een pijnlijk, maar bevrijdend proces. Het maakte duidelijk dat mijn verlangen niet verkeerd was, maar dat het werd geactiveerd door een relatie die geen innerlijke veiligheid bood. Het inzicht dat lust zonder innerlijke aanwezigheid geen liefde vormt, was essentieel om los te komen uit een patroon dat meer met oude pijn te maken had dan met echte verbondenheid. Het is dat inzicht dat de basis vormt voor heling en voor een ander soort verlangen dan voorheen mogelijk leek.
Hoe het zenuwstelsel geneest: van hunkering naar helderheid
Wanneer een relatie gedomineerd wordt door spanning, onvoorspelbaarheid en emotionele afwezigheid, raakt het zenuwstelsel chronisch geactiveerd. Het lichaam leeft dan in een staat van zoeken, hopen, anticiperen en steeds opnieuw proberen grip te krijgen op iets dat geen bedding heeft. De hunkering voelt als liefde, omdat het systeem er afhankelijk van is geworden. Maar heling begint precies hier: bij het besef dat wat intens voelt, niet altijd waar of veilig is en dat rust een betrouwbaarder teken van liefde is dan opwinding.
Het zenuwstelsel heeft tijd nodig om te herstellen. Wanneer de bron van onveiligheid verdwijnt, valt het lichaam niet direct terug in balans. Integendeel: vaak ontstaat eerst een periode van ontregeling. Het systeem dat gewend is geraakt aan spanning, weet niet meteen wat het moet doen met stilte. De afwezigheid van drama wordt gelezen als leegte, zelfs als opluchting tegelijkertijd voelbaar is. Die overgangsperiode kan verwarrend zijn, omdat het lichaam blijft zoeken naar prikkels die ooit als betekenisvol werden ervaren.
Langzaam verandert dat. Wanneer de voortdurende alertheid wegvalt, krijgt het zenuwstelsel de kans om terug te keren naar een staat van regulatie. De polyvagaal-theorie beschrijft dit herstelproces als het verschuiven van hyperactivatie (sympathisch systeem) naar een meer gereguleerde staat van verbondenheid (ventraal vagale toestand). In die staat ontstaat er ruimte voor helderheid, rust en reflectie. Wat voorheen intens voelde, wordt zichtbaar als ontregeling. Wat voorheen betekenisvol leek, wordt herkend als spanning. Die verschuiving vormt een belangrijke psychologische breuk met het verleden.
In mijn eigen proces werd dit duidelijk toen ik voor het eerst merkte dat de afwezigheid van spanning niet langer voelde als leegte, maar als rust. De relatie had mijn systeem zo ingesteld op onrust dat stilte aanvankelijk vreemd aanvoelde. Maar naarmate de tijd verstreek, veranderde het patroon. Mijn lichaam hoefde niet langer te scannen op tekenen van afwijzing. Er was geen onvoorspelbaarheid meer om op te anticiperen. De hunkering nam af, niet omdat het verlangen verdween, maar omdat de bron van ontregeling niet langer aanwezig was.
Dit is het moment waarop echte verwerking begint. De neurobiologie biedt hier een waardevol inzicht: wanneer de stressor wegvalt, kan het brein nieuwe verbindingen leggen. Patronen die ooit vanzelfsprekend leken — streven, hopen, aanpassen, reiken — kunnen worden vervangen door patronen van rust, zelfregulatie en grenzen. Het zenuwstelsel leert opnieuw wat veiligheid betekent. Voor het eerst in lange tijd ontstaat er een interne ruimte waarin verlangen niet automatisch wordt gekoppeld aan spanning.
Heling betekent niet dat verlangen verdwijnt, maar dat het zijn juiste plaats terugkrijgt. Verlangen wordt dan geen noodreactie, maar een bewuste beweging. Het komt niet voort uit angst om verlaten te worden, maar uit openheid voor verbinding. Het lichaam wordt niet langer gestuurd door oude tekorten, maar door wat in het heden werkelijk goed voelt. Dat is de verschuiving van hunkering naar helderheid: verlangen mag blijven bestaan, maar het draagt niet langer de last van trauma.
Dit hoofdstuk vormt daarmee de brug naar de conclusie van dit essay. Wanneer het zenuwstelsel tot rust komt, wordt zichtbaar wat liefde werkelijk vraagt: geen spanning, maar stabiliteit. Geen jacht op vervulling van leegte, maar aanwezigheid en wederkerigheid. Het is die verschuiving die het mogelijk maakt om lust en liefde opnieuw te begrijpen en om te kiezen voor relaties die niet voortkomen uit ontregeling, maar uit volwassen verbondenheid.
​
Conclusie: Waarom liefde nooit pijn doet, maar trauma wel
De verwarring tussen lust en liefde ontstaat niet omdat mensen naïef zijn, maar omdat het zenuwstelsel en de psyche worden gevormd door ervaringen die veel ouder zijn dan de relatie zelf. Wanneer iemand is opgegroeid met onvoorspelbaarheid, leegte of emotionele afwezigheid, voelt spanning vertrouwd. Het lichaam reageert sterker op de dynamieken die pijn doen dan op de dynamieken die veilig zijn. Daardoor kan een onveilige relatie intens aanvoelen, terwijl een veilige relatie aanvankelijk vlak lijkt. De intensiteit wordt dan verward met liefde en de rust met afwezigheid van betekenis.
Liefde doet op zichzelf geen pijn. Wat pijn doet, zijn de plekken in ons die nog niet genezen zijn. Liefde confronteert die plekken niet door ze opnieuw te openen, maar door zichtbaar te maken dat hunkering, angst en ontregeling geen fundament kunnen vormen voor een relatie. In die zin is pijn geen signaal van liefde, maar van trauma dat geactiveerd wordt. Een relatie die voortdurend spanning, onzekerheid of een reddersrespons oproept, raakt eerder oude wonden dan dat ze nieuwe verbinding schept.
In dit tweede essay werd duidelijk hoe die dynamiek werkt. Hechtingsonveiligheid zorgt ervoor dat we verlangen naar wat we kennen, niet naar wat goed voor ons is. Traumaresponsen zoals fawn, freeze of dissociatie vervormen de manier waarop we nabijheid ervaren. Intermitterende bekrachtiging maakt relaties verslavend door de afwisseling van spanning en opluchting. En innerlijke leegte leidt ertoe dat lust wordt gebruikt om fragmentatie te dempen, terwijl liefde juist vraagt om innerlijke aanwezigheid.
In mijn eigen ervaring werd dit zichtbaar in een relatie waarin intensiteit en leegte hand in hand gingen. De aantrekkingskracht was echt, maar de emotionele realiteit was afwezig. Lichamelijke nabijheid werd ingezet als bevestiging, niet als ontmoeting. De momenten van warmte waren zeldzaam genoeg om verlangen te activeren, maar nooit aanwezig genoeg om veiligheid te bieden. Die combinatie maakte de relatie intens, maar niet liefdevol.
Het herstel begon pas toen ik doorhad dat mijn lichaam reageerde op spanning, niet op verbondenheid. De hunkering voelde diep, maar was in wezen een echo van oude patronen. Pas toen het zenuwstelsel tot rust kwam, werd duidelijk wat liefde werkelijk vraagt: stabiliteit, wederkerigheid, innerlijke aanwezigheid en het vermogen om de ander als subject te zien. Liefde is geen spel van aantrekken en afstoten, geen zoektocht naar bevestiging of consumptie van de ander. Liefde is een vorm van nabijheid die niemand hoeft te bevechten.
De kern van dit essay is dan ook eenvoudig, maar existentieel van betekenis:
wat ons pijn doet, is per definitie nooit liefde — het is de herhaling van oude wonden.
En wat geneest, is niet de intensiteit van verlangen, maar de helderheid die ontstaat wanneer we de dynamiek doorzien.
Met dit inzicht sluit dit essay af. Het maakt de weg vrij voor het volgende essay, waarin het perspectief verschuift van het persoonlijke en relationele naar de culturele context. Daar wordt onderzocht hoe onze maatschappij — gedreven door snelheid, consumptie, dopaminesystemen en voortdurende zelfpresentatie — bijdraagt aan een wereld waarin lust wordt verheerlijkt, liefde wordt geromantiseerd en echte verbinding steeds schaarser lijkt.
Het volgende essay wordt daarmee een uitbreiding van dit inzicht: een analyse van de cultuur die spanning verkoopt en diepte vergeet.


