top of page

Het lichaam dat spreekt, het hart dat luistert

Over verlangen, resonantie en de stille ruimte waar liefde zich onthult

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding: Het onderscheid tussen verlangen en liefde

In intieme relaties worden verlangen en liefde vaak door elkaar gehaald. Ze bewegen in hetzelfde domein, raken dezelfde delen van het lichaam en worden gevoeld als krachtige drijfveren. Toch vertegenwoordigen ze twee verschillende fenomenen. Verlangen is primair lichamelijk: een fysiologische reactie die ontstaat vanuit spanning, aantrekkingskracht, nieuwsgierigheid of behoefte aan nabijheid. Liefde heeft een andere structuur. Liefde ontstaat niet vanuit spanning, opwinding of reactiviteit, maar vanuit aanwezigheid, erkenning en resonantie.

 

In mijn eigen leven heb ik lang vertrouwd op de intensiteit van verlangen als aanwijzing voor iets diepers. De aantrekkingskracht tussen twee mensen kan zo sterk zijn dat het bijna vanzelfsprekend voelt om het te zien als bewijs van een innerlijke verbondenheid. Pas veel later, en vaak pas na pijnlijke ervaringen, wordt zichtbaar dat lichamelijke intensiteit weinig zegt over emotionele veiligheid of wederkerigheid.

 

De behoefte om verlangen te interpreteren als liefde wordt versterkt door de manier waarop het lichaam werkt. Fysiologische reacties — hartslag, warmte, spanning, dopamine — creëren een subjectieve beleving van betekenis. Daniel Siegel beschrijft in zijn interpersoonlijke neurobiologie hoe het zenuwstelsel reageert op nabijheid: het activeert systemen van opwinding en regulatie die niets zeggen over de kwaliteit van de relatie zelf. Een lichaam kan zich aangetrokken voelen tot iemand die niet in staat is tot wederkerigheid. Dat maakt verlangen niet minder echt, maar wel minder betrouwbaar als leidraad.

 

Hechtingspsychologie laat zien dat mensen met een geschiedenis van onveiligheid vatbaarder zijn voor deze verwarring. Vooral bij vroegkinderlijke verwaarlozing of relationeel trauma ontstaat de neiging om spanning te verwarren met intimiteit. De intensiteit van verlangen voelt dan als thuiskomen, terwijl het in werkelijkheid een herhaling van een oud patroon is. Het lichaam herkent de dynamiek, niet de liefde. Het zoekt wat vertrouwd is, niet wat helend is.

 

Dat onderscheid werd in mijn relatie met mijn ex op scherpe wijze zichtbaar. Haar aantrekkingskracht was intens, direct en bijna overweldigend. Maar die intensiteit bleek geen afspiegeling van liefde, alleen van spanning. Lust was haar taal; liefde kwam niet in beeld. Wat ik aanvankelijk zag als een diepe wederzijdse aantrekking, bleek later vooral een lichamelijke respons op iemand die zelf niet in staat was tot emotionele aanwezigheid. Dat inzicht heeft tijd gekost, omdat verlangen zo overtuigend kan aanvoelen dat het de plaats van liefde inneemt.

​

In deze serie wil ik daarom onderzoeken hoe verlangen en liefde zich tot elkaar verhouden. Niet om lust te veroordelen of te idealiseren, maar om het onderscheid helder te maken. Verlangen heeft een belangrijke plek in relaties, maar het wordt problematisch wanneer het wordt gebruikt als bewijs van liefde. Pas wanneer we begrijpen hoe het lichaam reageert, hoe hechtingssystemen werken en wat liefde werkelijk vraagt, kunnen we zien wanneer we ons laten leiden door intensiteit en wanneer door waarheid.

 

Dit essay begint bij die afbakening. Want zonder onderscheid blijft liefde verward en blijft verlangen leidend in situaties waar het ons eerder steeds verder verstrikt, dan bevrijdt.

 

 

​

De psychologie van verlangen: het lichaam dat beweegt

Verlangen is een kracht die zijn oorsprong vindt in het lichaam. Het is een reactie op prikkels die zowel biologisch als psychologisch worden geïnterpreteerd. Wat vaak vergeten wordt, is dat verlangen niet ontstaat uit liefde, maar uit fysiologische processen die autonoom werken. Het lichaam reageert voordat het bewustzijn kan evalueren. Dat maakt verlangen een waardevolle, maar onbetrouwbare bron van informatie.

 

In psychologische zin is verlangen een combinatie van spanning, nieuwsgierigheid, belofte en het vooruitzicht op regulatie. Vanuit neurobiologisch perspectief speelt vooral dopamine een rol: het neurotransmittersysteem dat gericht is op anticipatie en beloning.

Wanneer we iemand aantrekkelijk vinden, stijgt de dopaminerespons en ontstaat een subjectief gevoel van opwinding, gerichtheid en verwachting. Dit wordt vaak geïnterpreteerd als chemie, terwijl het in feite een primair beloningssysteem betreft.

 

Jung biedt een bredere, minder biologische kijk op verlangen. Voor hem is libido geen seksuele energie, maar een algemene levensdrang: elke beweging van psyche naar wereld. Verlangen duidt dan niet op seksualiteit, maar op vitaliteit; de impuls om contact te maken, om te leven en om iets of iemand te naderen. In die zin is lust een van de vele manieren waarop de psyche zich naar buiten beweegt. Het is een neutrale kracht die pas betekenis krijgt binnen de context van een relatie.

 

Het lichaam zoekt echter niet altijd verbinding; vaker zoekt het regulatie. Dat is een belangrijk onderscheid. Wie opgroeit met onvoorspelbaarheid, afwijzing of emotionele onveiligheid, leert spanning te normaliseren. Het zenuwstelsel raakt gewend aan intensiteit en leest deze later in het leven als aantrekkingskracht. Daardoor ontstaat een sterke, maar misleidende koppeling tussen verlangen en verlangen naar veiligheid. Dit komt door het hechtingssysteem dat, wanneer het ontregeld is, signalen van spanning verwart met signalen van intimiteit. Niet omdat het lichaam ‘fout’ is, maar omdat het zich heeft aangepast aan omstandigheden waarin echte veiligheid nooit vanzelfsprekend was.

 

Traumabinding versterkt deze dynamiek. In relaties met afwisselende nabijheid en afstand — waar de ander soms warmte geeft en soms terugtrekt — verhoogt de wisselende bekrachtiging de dopaminerespons. De aantrekking wordt juist sterker door het gebrek aan stabiliteit. Het lichaam raakt geconditioneerd door de cyclus van beloning en ontzegging. Dit creëert de illusie dat de intensiteit van verlangen iets zegt over de diepte van de verbinding, terwijl het in werkelijkheid een reactie is op emotionele schommelingen.

 

In mijn eigen relatie met mijn ex merkte ik hoe het verlangen dat ik voelde niet voortkwam uit wederkerigheid, maar uit een complexe menging van spanning, onzekerheid en idealisering. Haar aantrekkingskracht werkte direct op mijn zenuwstelsel: het activeerde oude patronen van streven, hopen, verbonden willen zijn, zelfs wanneer er in de realiteit onvoldoende basis was om van liefde te kunnen spreken. Het lichaam volgt in zulke situaties zijn eigen logica en die logica is niet gericht op waarheid, maar op overleving.

 

Verlangen is dus niet waardeloos, maar het is geen moreel kompas. Het vertelt niets over de intenties van de ander, niets over emotionele volwassenheid en niets over innerlijkheid. Wat verlangen wél laat zien, is dat het lichaam leeft, reageert en zoekt. Maar het zegt weinig over waar het naar zoekt en waarom. Het lichaam beweegt, maar het hart moet bepalen waar naartoe.

 

In de context van relaties is het daarom essentieel om verlangen te begrijpen als een fysiologische en psychologische reactie, niet als een bewijs van liefde. Wanneer we verlangen kunnen zien als een beweging die op zichzelf staat, verliezen we minder snel het zicht op de kwaliteit van de relatie. Dan ontstaat ruimte voor helderheid: niet de intensiteit van de aantrekking is leidend, maar de mate van veiligheid, wederkerigheid en emotionele aanwezigheid.

 

Dat onderscheid is cruciaal om te voorkomen dat we patronen uit het verleden herhalen. Verlangen hoeft niet te verdwijnen; het mag blijven bestaan als een vorm van vitaliteit. Maar het verdient een kader waarin het niet langer de plaats van liefde inneemt. Liefde vraagt om innerlijke aanwezigheid; verlangen vraagt om beweging. Beide hebben hun plek, maar ze zijn niet hetzelfde en pas wanneer we dat erkennen, kan verlangen zijn juiste betekenis krijgen binnen een volwassen relatie.

 

 

​

Wanneer verlangen misleidt: de rol van trauma, herhaling en leegte

Verlangen voelt vaak alsof het uit het diepste van onszelf komt, maar in werkelijkheid kan het een reactie zijn op oude pijn. Het lichaam is geen neutraal instrument; het draagt herinneringen, angsten en patronen met zich mee die zich uitdrukken in de vorm van aantrekking. Wanneer verlangen voortkomt uit trauma, voelt het intens, maar is het niet gericht op verbinding. Het zoekt vooral herstel van een oud tekort.

 

Binnen de polyvagaal-theorie van Stephen Porges wordt dit zichtbaar: het zenuwstelsel reageert niet op de realiteit van het moment, maar op de mate waarin een situatie overeenkomt met vroegere ervaringen. Wat lichaam en geest kennen, wordt automatisch gelezen als vertrouwd. Daardoor kunnen situaties die in wezen onveilig zijn toch aantrekkingskracht oproepen. Niet omdat ze goed voor ons zijn, maar omdat ze resoneren met oude structuren.

 

In relaties waarin spanning, onvoorspelbaarheid of emotionele afstand een grote rol spelen, kan verlangen bijzonder misleidend worden. Afwisseling tussen nabijheid en terugtrekking activeert de beloningscentra in de hersenen sterker dan constante aandacht dat zou doen. Dit mechanisme, intermitterende bekrachtiging, versterkt de emotionele afhankelijkheid en verwart intensiteit met diepgang. De band voelt hecht, maar die gehechtheid ontstaat uit ontregeling.

 

De objectrelatietheorie van Kernberg biedt hier extra inzicht. Wanneer een partner vooral functioneert vanuit leegte of fragmentatie, wordt seksualiteit niet ingezet als middel tot verbinding, maar als bevestiging van het eigen bestaan. Lust wordt dan een vorm van zelfregulatie: een manier om de innerlijke leegte te dempen of om controle te herstellen. Seksuele aandacht voelt als bestaansrecht, niet als intimiteit. Voor de partner die emotioneel wél open staat, leidt dit tot verwarring: het lichaam reageert, maar de ziel blijft ongezien.

 

In mijn eigen ervaring werd dit duidelijk in de momenten waarop intens verlangen samen leek te vallen met een gevoel van urgentie. Het voelde alsof ik moest uitreiken, alsof afstand ondraaglijk was en nabijheid cruciaal. Pas later zag ik dat deze urgentie niet voortkwam uit liefde, maar uit oude hechtingspatronen. Het lichaam probeerde een vroeg tekort te herstellen door zich vast te klampen aan een dynamiek die spanning bood, maar geen veiligheid.

 

Trauma maakt verlangen dus niet nep, maar het vervormt de betekenis ervan. Wanneer het lichaam spanning als intimiteit leest, wordt de aantrekkingskracht groter naarmate de relatie minder voorspelbaar is. Dat is geen teken van diepe verbinding, maar van een zenuwstelsel dat probeert grip te krijgen op iets wat fundamenteel instabiel is.

 

Het herkennen van dit mechanisme is een belangrijke stap richting helderheid. Verlangen kan krachtig zijn en toch misleidend. Het kan ons naar iemand toe trekken die niet beschikbaar is voor wederkerige liefde. Het kan ons overtuigen dat intensiteit gelijk staat aan diepte, terwijl het in werkelijkheid een echo is van wat ooit ontbrak.

 

Helderheid ontstaat wanneer we verlangen niet langer zien als een aanwijzing voor liefde, maar als een signaal dat geïnterpreteerd moet worden. Pas wanneer we onderscheid maken tussen oude pijn en echte resonantie, ontstaat er ruimte voor relaties die niet voortkomen uit herhaling, maar uit keuze.

 

 

 

De casus: wanneer lust wordt gebruikt als regulatie in plaats van verbondenheid

In sommige relaties wordt al snel duidelijk dat lichamelijke nabijheid en emotionele nabijheid niet samenvallen. Wat op het eerste gezicht aantrekkelijk, intens of magnetisch lijkt, krijgt in de praktijk een andere betekenis. Seks en verlangen kunnen dan functioneren als regulatie, niet als ontmoeting. Ze worden gebruikt om leegte te vullen, spanningen te dempen of macht te herstellen, zonder dat er sprake is van wederkerigheid of innerlijke aanwezigheid.

 

In mijn voormalige relatie werd dit mechanisme gaandeweg zichtbaar. De fysieke aantrekkingskracht was intens en direct, maar de emotionele realiteit erachter bleef vlak. De momenten van seksualiteit voelden vaak geladen, maar die lading bleek eenzijdig. Lichamelijkheid werd ingezet op momenten van spanning, onrust of behoefte aan bevestiging, niet als uiting van werkelijke verbondenheid. Het verlangen dat ik voelde, werd daardoor een reactie op wat mijn lichaam registreerde, terwijl mijn hart tegelijkertijd steeds meer signalen gaf dat er iets ontbrak.

 

Gezien vanuit de objectrelatietheorie is dit een bekende dynamiek. Wanneer een persoon vooral functioneert vanuit een gevoel van innerlijke leegte, wordt de ander niet gezien als subject maar als middel tot regulatie. De relatie wordt een Ik–Het-relatie in plaats van een Ik–Jij-relatie, zoals Buber dat onderscheid maakt. Daarbij staat niet de ontmoeting centraal, maar de functie die de ander vervult. Seks wordt dan een instrument om bestaansrecht te ervaren: niet om zich te verbinden, maar om bevestiging te krijgen dat je begeerd wordt.

 

De afstand tussen lichaam en ziel wordt in zulke situaties bijzonder voelbaar. Er waren momenten waarop ik fysiek aanwezig was, maar emotioneel onzichtbaar bleef. Er werd intimiteit verlangd, maar niet gedeeld. Er was nabijheid, maar geen erkenning. De ervaring was daardoor dubbel: mijn lichaam reageerde, maar mijn innerlijke wereld kreeg geen antwoord.

 

Een bijzonder scherp inzicht ontstond op momenten waarop mijn ex seksuele ervaringen buiten de relatie beschreef op een koele, vlakke toon. Niet de inhoud van de daad was het pijnlijkst, maar de afwezigheid van emotie, verantwoordelijkheid of empathie in de manier waarop het werd gebracht. Het toonde mij hoezeer seksualiteit voor haar functioneerde als bevestiging — als een manier om zich bestaand te voelen via begeerte van buitenaf. De leegte die zij in zichzelf voelde, werd gedempt door externe aandacht, bewondering en lust.

 

Voor mij betekende dit dat mijn verlangen en mijn hoop op verbondenheid voortdurend botsten. Mijn lichaam reageerde op intensiteit, maar mijn hart werd geconfronteerd met het ontbreken van wederkerigheid. Ik ervaarde het fysiek als aantrekking, maar psychologisch als verwarring. Pas later werd duidelijk dat deze spanning voortkwam uit een fundamenteel verschil in wat intimiteit betekende.

 

Lust zonder liefde kan intens aanvoelen, maar het blijft oppervlakkig wanneer er geen innerlijke aanwezigheid is. Het lichaam wordt dan wel geraakt, maar het zelf wordt niet gezien. De relatie draait om bevestiging, spiegeling en spanning, niet om wederzijdsheid. Dat inzicht maakte het mogelijk om mijn eigen ervaring opnieuw te begrijpen: het verlangen was echt, maar het werd niet beantwoord vanuit liefde.

 

Het onderscheid tussen lust als regulatie en liefde als ontmoeting vormt daarom een essentieel onderdeel van dit essay. Het maakt zichtbaar dat niet elke vorm van intimiteit gelijkwaardig is en dat intensiteit geen teken is van diepgang. Alleen waar de ander werkelijk aanwezig is, kan liefde ontstaan. Waar lust wordt ingezet zonder innerlijkheid, blijft er uiteindelijk alleen leegte over.

 

 

 

Liefde als innerlijke aanwezigheid: wat het lichaam niet kan dragen

Liefde wordt vaak verward met aantrekking, verlangen of spanning, maar in de kern heeft liefde een andere structuur. Liefde ontstaat niet in het lichaam, maar in de innerlijke wereld. Het lichaam kan verlangen, zoeken, reiken en reageren, maar het lichaam kan geen liefde dragen wanneer de ziel ontbreekt. Liefde vraagt om iets wat fysiologie niet kan leveren: aanwezigheid, wederkerigheid en verantwoordelijkheid.

 

In psychologische zin is liefde een regulerende kracht. Allan Schore en andere onderzoekers binnen de neuro-affectieve wetenschap beschrijven hoe liefde ontstaat vanuit het deel van het zenuwstelsel dat gericht is op veiligheid en co-regulatie. Liefde kalmeert het systeem. Het brengt rust, stabiliteit, vertrouwdheid en openheid. Dat maakt liefde in essentie tegengesteld aan de spanning van lust. Waar verlangen wordt gedreven door opwinding, wordt liefde gedragen door veiligheid.

 

Liefde vraagt daarnaast om innerlijke aanwezigheid. Hannah Arendt beschreef liefde als een vorm van innerlijkheid die niet strategisch is: liefde gebruikt de ander niet om een leegte te vullen, maar opent zich naar de ander vanuit een gedeelde wereld. Het is geen beweging gericht op het eigen ego, maar op de ontmoeting zelf. In dat licht is liefde onmogelijk zonder zelfreflectie, empathie en verantwoordelijkheid voor wat je in de ander teweegbrengt.

 

Ook in dialogische filosofie wordt dit onderscheid duidelijk. Martin Buber maakt een onderscheid tussen relaties waarin de ander wordt ervaren als subject (Ik–Jij) en relaties waarin de ander wordt behandeld als middel (Ik–Het). Liefde kan alleen bestaan in het Ik–Jij-domein, waar beide personen aanwezig zijn in zichzelf en bereid zijn elkaar te erkennen. Lust zonder liefde behoort tot het Ik–Het-domein: het gebruikt de ander om een behoefte te bevredigen, maar er vindt geen wederkerige ontmoeting plaats.

 

Dat verschil werd in mijn eigen ervaring pijnlijk duidelijk. Lichamelijke nabijheid kan intens zijn, maar als er geen innerlijke aanwezigheid is, ontstaat er geen veiligheid. Het lichaam kan niet compenseren voor een leegte in de ziel van de ander. Wanneer er geen empathie, reflectie of verantwoordelijkheid voelbaar is, blijft de ontmoeting oppervlakkig, hoe intens het lichamelijke ook is. Het verlangen dat ik voelde, kon niet landen in een bedding die afwezig was.

 

Die afwezigheid was geen gebrek aan chemie, maar een gebrek aan innerlijkheid. Seksualiteit zonder emotionele aanwezigheid creëert geen verbinding, maar fragmentatie. Het lichaam wordt betrokken, maar het zelf blijft alleen. Dat is het punt waarop liefde en lust definitief uit elkaar gaan: lust kan plaatsvinden in een relatie zonder diepte, maar liefde kan dat niet. Liefde kan alleen bestaan wanneer beide personen zich bewust zijn van zichzelf én van de ander.

 

Dit inzicht maakt duidelijk dat het lichaam geen betrouwbare graadmeter is voor liefde. Het lichaam kan aanraken en reageren, maar het kan niet bepalen of de relatie veilig, emotioneel beschikbaar of wederkerig is. Liefde ontstaat in het vermogen om aanwezig te zijn — niet alleen in de ander, maar ook in jezelf. Het vraagt reflectie, eerlijkheid en een bereidheid om elkaar werkelijk te zien.

 

Voor mij betekende dit dat ik het onderscheid moest leren voelen tussen wat mijn lichaam wilde en wat mijn hart nodig had. Het lichaam kan verlangen, maar liefde vraagt om meer dan dat: het vraagt om een ontmoeting waarin beide partners zichzelf meebrengen. Zonder die wederkerige innerlijkheid wordt verlangen uiteindelijk een bron van verwarring in plaats van verbinding.

 

 

 

​

Het sacrale midden: integratie van lichaam en hart

Wanneer we verlangen en liefde uit elkaar trekken, ontstaat er ruimte om te zien hoe beide fenomenen zich tot elkaar verhouden. Verlangen hoeft niet onderdrukt te worden, maar het kan ook niet de plaats van liefde innemen. De uitdaging ligt in het vinden van een innerlijke balans waarin het lichaam mag spreken terwijl het hart de richting bepaalt. Dat vraagt om een vorm van zelfbewustzijn die ik in mijn eigen leven pas later heb ontwikkeld: een bewustzijn dat niet reageert vanuit spanning, maar vanuit helderheid.

 

De fenomenologische psychologie biedt hier een bruikbare invalshoek. In plaats van direct te handelen op basis van lichamelijke impulsen, nodigt zij ons uit om een ruimte te creëren tussen stimulus en respons. In die ruimte — wat ik zelf graag het sacrale midden noem — kunnen verlangen en emotie worden gezien zonder dat ze onmiddellijk sturing krijgen. Deze innerlijke afstand is geen vervreemding, maar juist een vorm van aanwezigheid. Het maakt onderscheid mogelijk tussen wat voortkomt uit oude pijn en wat voortkomt uit een authentieke behoefte aan verbinding.

 

Dat sacrale midden is ook de plek waar volwassen eros kan ontstaan. Eros in de zin van een bewuste, doorleefde vorm van verlangen die niet wordt gedreven door gebrek, maar door wederkerige openheid. Fromm beschrijft liefde als een kunstvorm die discipline, geduld en verantwoordelijkheid vraagt. In dat licht wordt eros niet langer een impulsieve kracht, maar een bewuste keuze om de ander werkelijk te ontmoeten. Het lichaam blijft deel van die ontmoeting, maar het leidt niet langer de dans.

 

Neuro-affectieve inzichten ondersteunen dit: echte intimiteit kan alleen ontstaan wanneer het zenuwstelsel in een staat van regulatie is. Wanneer spanning dominant is, wordt verlangen een middel om onrust te dempen. Maar wanneer rust en veiligheid aanwezig zijn, verandert de kwaliteit van het verlangen. Het wordt trager, dieper en minder gericht op onmiddellijke bevrediging. Het lichaam zoekt dan geen regulatie, maar resonantie; geen ontlading, maar verbinding.

 

In mijn eigen proces werd duidelijk dat het sacrale midden niet ontstaat binnen relaties waarin spanning structureel aanwezig is. In relaties waarin de ander afwezig, onvoorspelbaar of emotioneel afgesloten is, blijft het lichaam in een staat van alerte gerichtheid. Het zenuwstelsel zoekt houvast en dat houvast wordt dan gemakkelijk verward met aantrekking. Pas door afstand te nemen en terug te keren naar mijn eigen innerlijke rust kon ik ervaren hoe anders verlangen wordt wanneer het niet voortkomt uit ontregeling.

 

Het sacrale midden is daarmee niet de afwezigheid van verlangen, maar de plek waar verlangen niet langer verstoord wordt door angst, onzekerheid of hunkering. Het is een volwassen vorm van openheid waarin het lichaam gehoord wordt, maar niet de leiding heeft. Liefde krijgt daar de ruimte om te ontstaan, omdat er geen druk op ligt om spanning te produceren of leegte te compenseren.

 

In die zin vormt het sacrale midden een synthese tussen lichaam en hart. Het lichaam mag reiken, het hart mag ontvangen en beoordelen. De relatie tussen die twee wordt volwassen wanneer er voldoende innerlijke ruimte is om te voelen zonder te verdwalen. Voor mij was dat een bevrijdend inzicht: verlangen hoeft niet te verdwijnen, maar het moet gedragen worden door een basis van innerlijke stabiliteit. Alleen dan kan eros zich ontwikkelen tot iets dat werkelijk verbindt.

 

​

​

Conclusie: Van verwarring naar helderheid

Het onderscheid tussen verlangen en liefde ontstaat niet vanzelf. Voor veel mensen, mijzelf inbegrepen, is het een proces dat pas zichtbaar wordt nadat patronen zich hebben herhaald. Verlangen voelt in eerste instantie overtuigend, soms zelfs onontkoombaar. Het lichaam reageert met kracht en directheid en dat maakt het verleidelijk om die reactie te interpreteren als een teken van diepte of betekenis. Pas later, wanneer de emotionele realiteit zich heeft ontvouwd, wordt duidelijk dat intensiteit niet hetzelfde is als verbondenheid.

 

In mijn eigen ervaring werd dit helder door de discrepantie tussen lichamelijke aantrekking en emotionele leegte. De relatie waarin ik verstrikt raakte, maakte zichtbaar dat het lichaam een impuls kan volgen die het hart geen recht doet. De aantrekkingskracht was echt, maar de relatie bood geen wederkerigheid, geen veiligheid en geen innerlijke aanwezigheid. Dat besef maakte het mogelijk om verlangen opnieuw te interpreteren: niet als bewijs van liefde, maar als een signaal dat begrepen moest worden.

 

Psychologisch onderzoek ondersteunt dit inzicht. Verlangen is een fysiologische reactie die geen onderscheid maakt tussen gezonde en ongezonde relaties. Het lichaam reageert op spanning, op anticipatie, op onvoorspelbaarheid en op patronen die het uit het verleden herkent. Dat maakt het een slechte raadgever wanneer we liefde proberen te herkennen. Liefde vraagt namelijk om meer dan lichamelijke respons. Het vraagt om empathie, verantwoordelijkheid, reflectie en bereidheid tot groei — eigenschappen die niet voortkomen uit het lichaam, maar uit de innerlijke wereld.

 

Het onderscheid tussen verlangen en liefde is daarom niet abstract. Het is praktisch. Het helpt begrijpen waarom sommige relaties intens beginnen, maar onveilig eindigen. Het verklaart waarom aantrekking soms sterker wordt juist wanneer de relatie verslechtert. Het maakt duidelijk waarom het lichaam zich naar iemand kan bewegen die emotioneel niet beschikbaar is. En het toont waarom liefde zich nooit volledig kan ontvouwen wanneer er geen wederkerige aanwezigheid is.

 

Voor mij was dit onderscheid bevrijdend. Het maakte duidelijk dat mijn verlangen niet verkeerd was, maar dat het in een context terechtkwam die het niet kon dragen. Het hielp mij zien dat liefde niet af te lezen is aan de intensiteit van het begin, maar aan de stabiliteit van de ontmoeting. En het liet mij begrijpen dat het lichaam geen moreel kompas biedt, maar een beweging die sturing nodig heeft.

​

Die richting ontstaat in het sacrale midden — het innerlijke gebied waarin we ruimte hebben om te voelen zonder automatisch te handelen. Daar wordt zichtbaar wat verlangen werkelijk zegt en waar liefde begint. Liefde kan alleen bestaan wanneer er rust is, helderheid en de bereidheid om de ander te erkennen als subject. Verlangen wordt pas betekenisvol wanneer het gedragen wordt door diezelfde innerlijke aanwezigheid.

 

Met dat inzicht sluit dit eerste essay af. Het vormt de basis voor wat volgt. Waar hier het onderscheid tussen verlangen en liefde helder is gemaakt, zal het volgende essay ingaan op de manier waarop trauma, hechting en relationele dynamieken die twee fenomenen vermengen. Daar komt een tweede laag van helderheid in beeld: niet alleen wat verlangen is, maar ook waarom het soms zo overtuigend kan voelen in relaties die ons geen goed doen.

bottom of page