De vrouw als gebruiksvoorwerp
Objectivering, pornografie en het verlies van de Ander
In de afgelopen jaren hebben verschillende gebeurtenissen wereldwijd voor flinke verontwaardiging gezorgd. Met name de zaak van Gisèle Pelicot schokte miljoenen mensen. Een vrouw bleek jarenlang te zijn gedrogeerd door haar echtgenoot, waarna tientallen mannen haar verkrachtten terwijl zij buiten bewustzijn was, om het beeldmateriaal hiervan vervolgens online te delen. Vrijwel tegelijkertijd verschenen berichten over online platforms waarop seksueel geweld, vernedering en misbruik van vrouwen werden gedeeld en besproken alsof het vormen van entertainment waren. Ook elders in Europa en recent in Nederland werden meerdere mannen gearresteerd op verdenking van het drogeren en seksueel misbruiken van vrouwen uit hun eigen omgeving.
Op het eerste gezicht lijken dit uitzonderlijke gebeurtenissen. Afwijkingen van de norm. Incidenten die weinig zeggen over de samenleving als geheel.
Maar wat als dat niet zo is?
Wat als deze gebeurtenissen niet alleen iets vertellen over individuele daders, maar ook over de cultuur waarin zij ontstaan?
Dat is een ongemakkelijke vraag. Niemand wil graag geloven dat er een verband bestaat tussen de meest extreme vormen van seksueel geweld en de alledaagse werkelijkheid waarin de meeste mensen leven. Toch is het moeilijk te negeren dat deze gebeurtenissen plaatsvinden tegen de achtergrond van een cultuur waarin pornografie toegankelijker is dan ooit tevoren, waarin seksuele beelden een centrale plaats innemen in media en sociale netwerken en waarin miljoenen jongeren hun eerste kennismaking met seksualiteit opdoen via internet.
Voor het eerst in de geschiedenis heeft bijna iedere persoon met een smartphone toegang tot een vrijwel onbeperkte hoeveelheid pornografisch materiaal. Daarbij gaat het niet alleen om romantische of erotische beelden, maar ook steeds extremere vormen van vernedering, agressie en geweld. Wat vroeger verborgen bleef in obscure tijdschriften of videotheken, bevindt zich nu op enkele klikken afstand van ieder mens met een internetverbinding.
De vraag die dit oproept gaat verder dan seksuele moraal. Zij raakt aan een veel fundamentelere kwestie.
Wat leren (jonge) mensen eigenlijk over seksualiteit wanneer een belangrijk deel van hun seksuele opvoeding afkomstig is uit een industrie die miljarden verdient aan het produceren van seksuele prikkels? Welk beeld van vrouwen, mannen, verlangen en intimiteit wordt daarin overgedragen? En wat gebeurt er met een samenleving wanneer objectivering niet langer een uitzondering is, maar een steeds normaler onderdeel wordt van de culturele omgeving waarin mensen opgroeien?
Dit essay gaat daarom niet in de eerste plaats over pornografie. Het gaat over de vrouw als gebruiksvoorwerp. Over objectivering en over de manier waarop mensen kunnen verdwijnen achter de functies die zij vervullen voor anderen. En uiteindelijk gaat het over een beschavingsvraag die ongemakkelijker is dan zij op het eerste gezicht lijkt:
Wat gebeurt er met een samenleving wanneer mensen elkaar steeds minder ontmoeten en steeds meer gebruiken?
Pornografie als seksuele opvoeder
Generaties voor ons leerden over seksualiteit via een combinatie van persoonlijke ervaringen, gesprekken, boeken, films en relaties. Natuurlijk bestonden er ook toen seksuele beelden en fantasieën, maar zij waren relatief beperkt toegankelijk. Voor de meeste jongeren vormden echte ontmoetingen met andere mensen uiteindelijk de belangrijkste bron van seksuele kennis.
Die situatie is inmiddels ingrijpend veranderd.
Voor veel jongeren vindt de eerste kennismaking met seksualiteit tegenwoordig plaats via internet. Uit onderzoek blijkt dat veel jongens al op jonge leeftijd worden blootgesteld aan pornografisch materiaal, vaak nog voordat zij hun eerste verliefdheid, kus of seksuele ervaring hebben gehad. Pornografie fungeert daarmee steeds vaker als een informele vorm van seksuele educatie. En dat gegeven verdient aandacht.
Ik ben niet van mening dat seksualiteit verborgen zou moeten blijven. En ook niet dat iedere vorm van pornografie problematisch is. Het probleem ligt elders.
Wanneer een industrie een belangrijke bron wordt van seksuele kennis, is het legitiem om te vragen welk beeld van seksualiteit zij overdraagt. Pornografie is immers geen neutrale weergave van menselijke intimiteit. Zoals actiefilms geen realistische weergave zijn van geweld en romantische komedies geen realistische weergave zijn van liefde, zo is pornografie geen realistische weergave van seksualiteit. Het is een industrie die gericht is op het produceren van seksuele prikkels. Haar succes wordt niet bepaald door wederkerigheid, intimiteit of emotionele verbondenheid, maar door haar vermogen om aandacht vast te houden en opwinding op te wekken.
Dat heeft gevolgen voor de manier waarop seksualiteit wordt afgebeeld. In een groot deel van de hedendaagse online pornografie staan snelheid, prestatie, beschikbaarheid en visuele stimulatie centraal. De innerlijke wereld van de betrokken personen speelt een ondergeschikte rol. Hun gevoelens, twijfels, verlangens en grenzen verdwijnen naar de achtergrond. Wat zichtbaar blijft, is vooral het lichaam en de beschikbaarheid daarvan.
Daarmee ontstaat een merkwaardige situatie. Miljoenen jongeren leren over seksualiteit via beelden waarin de lichamelijke kant van seks voortdurend aanwezig is, terwijl de relationele dimensie grotendeels ontbreekt. Kwetsbaarheid, wederkerigheid, communicatie, onzekerheid en emotionele verbondenheid zijn immers moeilijk te filmen. Zij leveren weinig spectaculaire beelden op en daardoor verdwijnen zij gemakkelijk uit beeld.
De vraag is niet of jongeren begrijpen dat pornografie een vorm van entertainment is. Veel jongeren weten dat heel goed. De vraag is welke verwachtingen zich ongemerkt vormen wanneer bepaalde beelden steeds opnieuw worden bekeken. Welke ideeën ontstaan over verlangen, aantrekkelijkheid, mannelijkheid, vrouwelijkheid en seksuele relaties? Welke aspecten van seksualiteit worden zichtbaar gemaakt en welke verdwijnen naar de achtergrond?
Deze vragen zijn des te relevanter omdat online platforms worden gestuurd door dezelfde logica als andere digitale media. Algoritmes belonen aandacht. Wat schokt, verrast of extreme emoties oproept krijgt meer zichtbaarheid. Daardoor ontstaat een voortdurende druk richting nieuwe, intensere en extremere prikkels.
In die ontwikkeling wordt zichtbaar dat pornografie niet alleen een privékwestie is. Zij is ook een cultureel fenomeen. Een fenomeen dat invloed heeft op de manier waarop een samenleving denkt over seksualiteit, verlangen en menselijke relaties.
Uit de psychologie weten we dat mensen hun verwachtingen over sociale rollen en relaties niet uitsluitend vormen via directe ervaring. Culturele beelden spelen daarbij een belangrijke rol. Onderzoekers spreken in dit verband over seksuele scripts: impliciete verwachtingen over hoe seksualiteit eruitziet, wie initiatief neemt, welke verlangens normaal zijn en hoe mannen en vrouwen zich tot elkaar behoren te verhouden. Wanneer pornografie voor jongeren een belangrijke bron van seksuele informatie wordt, kunnen dergelijke scripts mede worden gevormd door de beelden die zij daar zien.
Onderzoek suggereert dat herhaalde blootstelling aan sterk objectiverende seksuele beelden invloed kan hebben op de manier waarop mensen anderen waarnemen. De aandacht verschuift daarbij gemakkelijker naar het lichaam en de seksuele functie van een persoon, terwijl diens innerlijke werkelijkheid minder prominent aanwezig is. Dat betekent niet dat pornografie mensen automatisch vrouwonvriendelijk maakt of leidt tot seksueel geweld. Menselijk gedrag laat zich nooit reduceren tot één oorzaak. Wel roept het de vraag op welke opvattingen over verlangen, intimiteit en menselijke waardigheid ongemerkt worden versterkt wanneer dergelijke beelden een centrale plaats innemen binnen de seksuele socialisatie van jonge mensen.
De vrouw als gebruiksvoorwerp
Wanneer mensen spreken over objectivering, ontstaat vaak verwarring. Het woord wordt regelmatig gebruikt, maar zelden nauwkeurig uitgelegd. Daardoor blijft onduidelijk wat er precies verloren gaat wanneer een mens wordt gereduceerd tot een object.
De filosofe Martha Nussbaum beschreef objectivering als een proces waarin een persoon steeds meer wordt behandeld alsof hij of zij een ding is. Een object dat kan worden gebruikt, bekeken, gecontroleerd of geconsumeerd. Daarbij verschuift de aandacht van wie iemand is naar wat iemand voor een ander kan betekenen. Dat lijkt misschien in eerste instantie abstract, maar de onderliggende beweging is vrij eenvoudig: een mens wordt niet langer gezien als doel op zichzelf, maar als een middel.
Binnen seksualiteit krijgt deze verschuiving een bijzondere betekenis. Seksualiteit raakt immers direct aan het lichaam. Dat maakt het mogelijk om iemand fysiek te verlangen zonder die persoon volledig te kennen. Op zichzelf is daar niks mis mee. Lichamelijke aantrekkingskracht behoort tot het menselijk bestaan. Mensen verlangen naar elkaar, ze vinden elkaar mooi en ze genieten van elkaars lichaam.
Objectivering begint dan ook niet bij verlangen. Zij begint op het moment dat verlangen losraakt van wederkerigheid. Wanneer het lichaam zichtbaar blijft, maar de persoon uit beeld verdwijnt. En daar raakt het onderwerp aan de hedendaagse pornografie. In een groot deel van de online pornografie staat niet de ontmoeting tussen twee mensen centraal, maar de seksuele bruikbaarheid van het lichaam. De vrouw verschijnt in de eerste plaats als bron van opwinding. Haar innerlijke wereld; haar geschiedenis, gedachten, gevoelens, grenzen en verlangens, is grotendeels afwezig.
De filosoof Immanuel Kant formuleerde een principe dat nog altijd tot de meest fundamentele inzichten van de moderne ethiek behoort: Mensen mogen nooit uitsluitend worden behandeld als middel voor de doelen van anderen, maar moeten altijd tegelijkertijd worden erkend als doel op zichzelf.
Dat betekent niet dat mensen elkaar niet mogen gebruiken in praktische zin. Iedere menselijke relatie bevat elementen van wederzijdse afhankelijkheid. Het probleem ontstaat wanneer de ander uitsluitend betekenis krijgt door wat hij of zij voor ons kan betekenen, daar raakt objectivering aan een fundamenteel ethisch probleem. De vrouw verschijnt dan niet langer als een persoon met eigen verlangens, doelen en waardigheid, maar als instrument van bevrediging. Haar menselijkheid raakt ondergeschikt aan haar functie
Dat is een ongemakkelijke constatering, maar wel een belangrijke. Want hoe vaker mensen worden geconfronteerd met beelden waarin vrouwen primair verschijnen als object van verlangen, hoe normaler deze manier van kijken kan worden. Dat is niet noodzakelijk een bewuste overtuiging, maar een impliciet cultureel script. Een patroon dat ongemerkt beïnvloedt hoe mensen denken over seksualiteit en relaties.
Het probleem zit daarbij niet alleen in wat zichtbaar wordt, het zit ook in wat verdwijnt. Wat ontbreekt in veel pornografische representaties zijn juist de aspecten die menselijke seksualiteit onderscheiden van louter lichamelijke handelingen: wederkerigheid, kwetsbaarheid, communicatie, aandacht en zorg. De ontmoeting tussen twee mensen maakt plaats voor een voorstelling waarin gebruik centraal staat.
Het is niet zo dat iedere kijker vrouwen als object gaat behandelen. Menselijk gedrag is complexer dan dat. Maar het betekent wel dat een cultuur waarin objectivering voortdurend zichtbaar is, een andere blik op seksualiteit kan bevorderen dan een cultuur waarin wederkerigheid centraal staat.
Wellicht wordt dat het duidelijkst zichtbaar wanneer we kijken naar de taal die rondom vrouwen ontstaat in bepaalde online gemeenschappen. Vrouwen worden daar niet langer beschreven als personen, maar als categorieën. Als lichamen, als seksuele functies en als middelen voor bevrediging. De stap van mens naar object blijkt vaak kleiner dan we zouden willen geloven en juist daarom verdient objectivering aandacht. Niet omdat seksualiteit problematisch zou zijn, maar omdat de manier waarop wij naar elkaar kijken uiteindelijk bepaalt hoe wij ons tot elkaar verhouden.
Wanneer de ander verschijnt als mens, ontstaat ruimte voor ontmoeting. Wanneer de ander verschijnt als gebruiksvoorwerp, ontstaat ruimte voor consumptie. En precies daar begint de vraag die boven dit essay hangt. Wat gebeurt er met een samenleving wanneer die tweede blik steeds normaler wordt?
De pornoficatie van de cultuur
Het zou een vergissing zijn om objectivering uitsluitend te beschouwen als een probleem van pornografie. Pornografie is wellicht de meest zichtbare uitingsvorm ervan, maar zij staat niet op zichzelf. De beelden die daar worden geproduceerd bestaan niet los van de cultuur waarin zij ontstaan. Integendeel, zij weerspiegelen en versterken ontwikkelingen die op veel meer plaatsen zichtbaar zijn.
Wie vandaag de dag door sociale media scrollt, wordt voortdurend geconfronteerd met lichamen. In expliciet seksuele contexten, maar ook in reclame, entertainment, mode en influencer-cultuur. Zichtbaarheid is een economische waarde geworden, aandacht vertegenwoordigt geld. Hoe langer iemand kijkt, hoe meer waarde een platform kan creëren.
Binnen die logica krijgt het lichaam een nieuwe functie. Het wordt een middel om aandacht te genereren. Een product dat bekeken, beoordeeld en geconsumeerd kan worden.
De filosoof Byung-Chul Han beschrijft hoe de hedendaagse cultuur steeds meer wordt gedomineerd door een logica van transparantie en consumptie. Wat zichtbaar is, krijgt waarde. Wat aandacht trekt, wordt beloond. Wat onmiddellijk beschikbaar is, verdringt datgene wat tijd, verdieping en ontmoeting vraagt.
Ook seksualiteit wordt opgenomen in deze logica. Waar verlangen traditioneel werd gekenmerkt door nieuwsgierigheid, afstand en de ontdekking van een ander mens, verschuift de nadruk steeds vaker naar onmiddellijke beschikbaarheid. De ander verschijnt niet als een mysterieuze werkelijkheid die zich langzaam ontvouwt, maar als iets dat direct bekeken en geconsumeerd kan worden.
Dat proces beperkt zich niet tot pornografische websites. Het is zichtbaar op sociale media, waar mensen voortdurend worden uitgenodigd zichzelf te presenteren als beeld. Het is zichtbaar in de influencer-cultuur, waarin aantrekkelijkheid kan worden omgezet in bereik en inkomsten. Het is zichtbaar in een aandachtseconomie die beloont wat prikkelt, choqueert en verleidt.
Daarmee ontstaat een subtiele, maar belangrijke verschuiving. De waarde van een persoon raakt steeds gemakkelijker verbonden met zichtbaarheid. Het is niet meer: wie ben ik en wat ervaar ik? Maar: hoe word ik gezien en hoe verschijn ik voor anderen? De blik van de buitenwereld nestelt zich langzaam in het zelfbeeld.
Voor vrouwen is deze ontwikkeling bijzonder relevant. Historisch gezien zijn vrouwen vaker beoordeeld op hun uiterlijk dan mannen. De hedendaagse aandachtseconomie bouwt voort op die bestaande dynamiek. Zij creëert een omgeving waarin vrouwelijke zichtbaarheid voortdurend wordt beloond en tegelijkertijd voortdurend wordt beoordeeld.
Dat betekent niet dat vrouwen passieve slachtoffers zijn van deze ontwikkeling. Veel vrouwen navigeren bewust en kritisch door deze cultuur. Toch verandert dat niets aan de bredere vraag die deze ontwikkeling oproept.
Wat gebeurt er met een samenleving wanneer steeds meer menselijke interacties worden vormgegeven volgens dezelfde logica als consumptiegoederen? Wanneer aandacht een markt wordt, wanneer lichamen producten worden, seksualiteit content wordt en relaties worden teruggebracht tot profielen die kunnen worden bekeken, geselecteerd en vervangen. Welke gevolgen heeft dit voor onze cultuur?
Volgens Han verdwijnt in zo'n cultuur iets wezenlijks: de ervaring van de Ander. Hij bedoelt daarmee niet dat mensen letterlijk verdwijnen, maar dat hun innerlijke werkelijkheid steeds moeilijker zichtbaar wordt. Wat overblijft zijn beelden, profielen en representaties. De persoon áchter die beelden raakt steeds gemakkelijker uit beeld.
En daar ligt de diepste betekenis van de pornoficatie van de cultuur. Het is niet dat seksualiteit zichtbaarder wordt, maar dat de mens achter de seksualiteit steeds onzichtbaarder wordt. En wanneer dat gebeurt, verandert niet alleen onze kijk op seksualiteit. Dan verandert onze kijk op elkaar.
De verdwijning van de Ander
Wanneer we spreken over objectivering, pornografie en de pornoficatie van de cultuur, gaat het uiteindelijk over meer dan seksualiteit alleen. Onder al deze ontwikkelingen ligt een fundamentelere vraag verborgen:
Wat gebeurt er wanneer mensen elkaar steeds minder ontmoeten als mens?
Om die vraag te begrijpen, is het behulpzaam om terug te keren naar een inzicht van de filosoof Martin Buber. Volgens Buber bestaan er twee fundamentele manieren waarop wij ons tot anderen kunnen verhouden. In de eerste verschijnt de ander als een Gij, een uniek menselijk wezen met een eigen binnenwereld, een eigen geschiedenis en een eigen waardigheid. In de tweede verschijnt de ander als een Het, iets wat kan worden gebruikt, geanalyseerd, beoordeeld of gecontroleerd.
Beide manieren van kijken maken deel uit van het menselijk bestaan. We kunnen niet zonder de wereld van functies en instrumenten. Het probleem ontstaat wanneer die manier van kijken zich uitbreidt naar menselijke relaties. Dan verandert de ander langzaam van persoon in object. Van ontmoeting in gebruik en van mens in functie.
Een vergelijkbare gedachte vinden we bij Emmanuel Levinas. Volgens Levinas begint ethiek niet bij regels of wetten, maar bij de ontmoeting met het gezicht van de Ander. Het gezicht herinnert ons eraan dat tegenover ons een mens staat wiens leven even werkelijk is als het onze. Een mens met verlangens, angsten, hoop en kwetsbaarheid. Dat besef vormt de basis van empathie.
Het is niet dat we alles van de ander moeten of kunnen begrijpen, maar dat we erkennen dat de ander een innerlijke wereld bezit die even betekenisvol is als die van onszelf. Objectivering verzwakt dat besef. Dat proces gaat niet in één stap of plotseling, maar geleidelijk. De aandacht verschuift van wie de ander is naar wat de ander voor ons betekent. Van de persoon naar de functie. Van de innerlijke werkelijkheid naar de uiterlijke verschijning.
Uiteindelijk is dat precies wat zichtbaar wordt in veel hedendaagse vormen van pornografie. Het probleem is niet alleen dat lichamen centraal staan, maar dat de persoon achter het lichaam grotendeels afwezig is. De kijker hoeft niets te weten over de geschiedenis, gevoelens of ervaringen van degene die hij ziet. Voor de seksuele ervaring zijn die aspecten immers niet noodzakelijk.
Maar juist daarin schuilt een belangrijk inzicht. Wat voor seksuele opwinding niet noodzakelijk is, blijkt vaak wel noodzakelijk voor menselijke ontmoeting. Een mens is niet mens door zijn lichaam alleen. Een mens is mens door zijn innerlijkheid. Door zijn vermogen om te voelen, te verlangen, te twijfelen, te hopen en te lijden. Wanneer die innerlijke werkelijkheid uit beeld verdwijnt, blijft er iets zichtbaar dat op een mens lijkt, maar niet langer volledig als mens wordt ervaren.
De filosoof Byung-Chul Han beschrijft hoe de hedendaagse cultuur steeds minder ruimte laat voor de ervaring van alteriteit: de ervaring dat de ander werkelijk anders is dan wijzelf. In een wereld die wordt gedomineerd door consumptie, snelheid en onmiddellijke beschikbaarheid, wordt de ander steeds gemakkelijker opgenomen in onze eigen behoeften en verlangens. De ander wordt iets voor ons en niet iemand tegenover ons. Dat is de diepste betekenis van objectivering: dat de Ander verdwijnt. En wanneer de Ander verdwijnt, verandert er meer dan alleen onze seksualiteit. Dan verandert de manier waarop wij ons tot mensen verhouden.
Uiteindelijk ligt daar de kern van het probleem; niet dat onze cultuur te veel seks toont, maar dat zij steeds minder laat zien wat een mens werkelijk tot mens maakt.
Een beschavingstest
Beschaving wordt vaak afgemeten aan zichtbare prestaties. Aan economische groei, technologische vooruitgang, wetenschappelijke kennis, de kwaliteit van instituties en algemene welvaart. Al deze zaken zijn belangrijk. Toch vertellen zij slechts een deel van het verhaal. Een samenleving kan rijk, innovatief en hoogontwikkeld zijn en tegelijkertijd iets wezenlijks verliezen.
De kwaliteit van een beschaving wordt uiteindelijk zichtbaar in de manier waarop zij omgaat met menselijke kwetsbaarheid. In de manier waarop zij kijkt naar degenen die minder macht hebben. In haar vermogen om achter een lichaam een mens te blijven zien.
Vanuit dat perspectief krijgen de voorbeelden waarmee dit essay begon een andere betekenis. De zaak van Gisèle Pelicot, de recente Nederlandse verdenkingen van drogering en seksueel misbruik, online platforms waarop vernedering en geweld worden gedeeld en digitale gemeenschappen waarin vrouwen worden gereduceerd tot categorieën of gebruiksvoorwerpen zijn dan niet langer slechts incidenten. Zij worden signalen.
Het is niet dat iedere gebruiker van pornografie vrouwen als object gaat zien, dat iedere man vatbaar is voor misogynie of dat iedere vorm van seksuele vrijheid problematisch zou zijn, maar deze verschijnselen maken wel iets zichtbaar wat dieper ligt. Zij laten zien hoe gemakkelijk een mens kan verdwijnen achter zijn functie. Hoe gemakkelijk een vrouw kan veranderen in een lichaam. Hoe gemakkelijk een lichaam kan veranderen in een product en hoe gemakkelijk een product uiteindelijk kan worden gebruikt.
Het is verleidelijk om dergelijke ontwikkelingen uitsluitend toe te schrijven aan individuele daders of specifieke groepen. Daarmee beschermen we onszelf tegen een ongemakkelijke gedachte: dat cultuur niet alleen wordt gevormd door uitzonderingen, maar ook door wat miljoenen gewone mensen dagelijks bekijken, delen, normaliseren en consumeren.
Juist daarom is de vraag naar pornografie uiteindelijk een beschavingsvraag: omdat de manier waarop een cultuur seksualiteit vormgeeft iets onthult over haar mensbeeld. Welke beelden produceren wij? Welke beelden belonen wij? Welke beelden maken wij zichtbaar? Welke normaliseren wij en welke verdwijnen naar de achtergrond?
Ik geloof niet dat het toeval is dat de opkomst van online pornografie samenvalt met een cultuur waarin aandacht een economische waarde is geworden. Een cultuur waarin zichtbaarheid belangrijker wordt dan innerlijkheid. Een cultuur waarin steeds meer aspecten van het menselijk bestaan worden beoordeeld op hun vermogen om aandacht te genereren en vast te houden.
Binnen zo'n cultuur wordt het steeds moeilijker om de mens achter het beeld te blijven zien. Dat geldt in de eerste plaats voor vrouwen, maar uiteindelijk ook voor mannen. Voor kinderen. Voor onszelf. Want iedere cultuur die mensen leert kijken naar anderen als objecten van consumptie, leert mensen uiteindelijk ook kijken naar zichzelf als objecten van consumptie.
Daarmee raakt dit essay aan een bredere zorg die verder reikt dan seksualiteit alleen. De vraag is niet of pornografie verboden moet worden en de vraag is ook niet of seksuele vrijheid een probleem vormt. De vraag is welke mensvisie wij doorgeven aan de volgende generatie.
Wat leren jonge mensen over verlangen? Over relaties? Over vrouwen? Over mannen? Over de betekenis van intimiteit?
Dat is de werkelijke beschavingstest van onze tijd. Niet hoeveel informatie wij kunnen produceren of hoeveel technologie wij kunnen ontwikkelen, maar of wij in staat blijven om achter ieder lichaam een mens te zien. Een mens die meer is dan een functie, meer dan een beeld en meer dan een middel.
Want wanneer dat vermogen verloren gaat, verdwijnt er meer dan alleen wederkerigheid uit onze relaties. Dan verdwijnt de beschaving zelf.

