top of page

De fragiele laag van beschaving

Over The Handmaid’s Tale, patriarchale vervreemding en het verlies van empathie

 

 

 

 

 

Inleiding: Wanneer fictie een echo van werkelijkheid wordt

Soms zijn het niet de verhalen die veranderen, maar wij. Of misschien verandert de wereld om ons heen zodanig dat een verhaal ineens een andere betekenislaag krijgt. Toen ik jaren geleden voor het eerst naar The Handmaid's Tale keek, ervaarde ik het als een beklemmende dystopie: een extreme waarschuwing over religieus fundamentalisme, patriarchale macht en controle over het vrouwelijke lichaam. Verontrustend, maar ver weg. Fictie die schokte juist omdat zij zo onvoorstelbaar leek.

 

Nu, jaren later, kijk ik opnieuw, maar deze keer voelt de serie anders. Minder als fictie en meer als echo. Alsof de afstand tussen verbeelding en werkelijkheid kleiner is geworden.

 

Ik zie vandaag een wereld waarin vrouwenrechten opnieuw onder druk staan. Een wereld waarin abortusrechten worden teruggedraaid door landen die zichzelf ontwikkeld noemen, (online) misogynie groeit en vrouwen steeds vaker worden gereduceerd tot objecten van consumptie, controle of ideologische projectie. Een wereld waarin figuren als Andrew Tate miljoenen jonge mannen bereiken met een vorm van mannelijkheid waarin dominantie wordt verheerlijkt en empathie wordt weggezet als zwakte. Een wereld waarin online gemeenschappen ontstaan waarin vrouwen niet langer worden benaderd als autonome subjecten met een eigen innerlijk leven, maar als middelen voor status, bevestiging of gebruik.

 

Het meest verontrustende is niet eens dat deze ideeën bestaan, misogynie is immers zo oud als de geschiedenis zelf, maar dat zij opnieuw maatschappelijke legitimiteit lijken te krijgen. Alsof een deel van de wereld langzaam terug beweegt richting een werkelijkheid waarin vrouwelijke autonomie weer onderhandelbaar wordt.

 

En nee: dit gaat niet over alle mannen. Dat simplistische wereldbeeld wijs ik af. Ik heb mannen in mijn leven die liefdevol, empathisch en emotioneel intelligent zijn. Ik voed een zoon op van wie ik hoop dat hij leert dat kwetsbaarheid geen zwakte is, maar onderdeel van menselijkheid. Dat een man mag huilen. Dat hij emoties niet hoeft te onderdrukken om waardig of sterk te zijn.

 

Juist daarom raakt dit onderwerp mij zo diep.

 

Want wat ik zie in de huidige culturele ontwikkelingen, is niet alleen een crisis rondom vrouwenrechten. Ik zie ook een crisis van innerlijkheid. Een cultuur waarin veel mannen nog steeds leren dat emoties verdacht zijn, afhankelijkheid vernederend is en empathie iets zachts of vrouwelijks zou zijn. Een cultuur waarin controle vaker wordt beloond dan verbinding. Precies daar ligt de kern van het probleem.

 

Het patriarch onderdrukt niet alleen vrouwen; het vervreemdt tegelijkertijd mannen van hun innerlijke leven. En juist waar mensen afgesneden raken van hun eigen kwetsbaarheid, ontstaat gemakkelijker een relatie tot de ander die gebaseerd is op macht in plaats van wederkerigheid.

 

Want waar empathie verdwijnt, verdwijnt uiteindelijk ook de liefde.

 

 

 

De fragiele laag van beschaving

Een van de meest hardnekkige overtuigingen van de moderne mens is misschien wel het idee dat beschaving een vanzelfsprekend eindpunt van vooruitgang vormt. Dat samenlevingen zich, ondanks tijdelijke terugvallen, langzaam maar zeker ontwikkelen richting meer vrijheid, meer gelijkwaardigheid en meer menselijkheid. Alsof de geschiedenis uit zichzelf een moreel stijgende lijn volgt.

 

Maar de geschiedenis beweegt zelden lineair.

 

De twintigste eeuw heeft laten zien hoe dun de laag van beschaving in werkelijkheid kan zijn. Totalitaire regimes ontstonden niet uitsluitend uit chaos of barbaarsheid, maar juist midden in moderne, cultureel ontwikkelde samenlevingen. Filosoof Hannah Arendt beschreef in haar werk over totalitarisme en de banaliteit van het kwaad iets wat nog altijd moeilijk te verdragen is: dat ontmenselijking lang niet altijd voortkomt uit monsters die zich bewust buiten de samenleving plaatsen. Vaak ontstaat zij juist geleidelijk, binnen systemen waarin empathie langzaam wordt losgekoppeld van verantwoordelijkheid.

 

Het kwaad verschijnt zelden onmiddellijk in zijn meest extreme vorm. Het begint vaak subtieler: in taal die mensen reduceert tot categorieën. In ideologieën die de ander minder complex maken. In culturele patronen waarin dominantie belangrijker wordt dan wederkerigheid. In het normaliseren van objectivering. In het verdwijnen van innerlijke reflectie.

 

Dat is ook waarom bepaalde hedendaagse ontwikkelingen zoveel existentiële onrust oproepen. Niet alleen vanwege de concrete gebeurtenissen zelf, maar omdat zij iets zichtbaar maken over de fragiliteit van menselijke beschaving.

 

De zaak rondom Gisèle Pelicot was daarin voor veel vrouwen een schokgolf. Niet alleen vanwege de gruwelijkheid van wat haar werd aangedaan, maar vanwege het confronterende besef dat de betrokken mannen niet uitsluitend afkomstig waren uit een herkenbare “onderwereld”. Het ging om mannen uit verschillende leeftijden, sociale milieus en maatschappelijke posities. Gewone mannen. En juist dat maakte de zaak zo ontwrichtend.

 

Hetzelfde geldt voor de online gemeenschappen, de zogenaamde rape academy, waarin mannen informatie uitwisselen over manipulatie, vernedering, seksuele controle en het drogeren van (hun eigen) vrouwen. Er wordt zelfs beeldmateriaal gedeeld van verkrachtingen van hun eigen vrouwen terwijl zij gedrogeerd zijn. Zulke fenomenen lijken op het eerste gezicht misschien marginaal of extreem, maar ze ontstaan niet in een cultureel vacuüm. Ze groeien binnen een bredere werkelijkheid waarin vrouwen steeds vaker worden benaderd vanuit utiliteit: als lichamen, functies of statussymbolen, in plaats van als autonome subjecten met een eigen innerlijk leven.

 

Wat deze ontwikkelingen uiteindelijk blootleggen, is niet alleen vrouwenhaat. Zij onthullen ook een diepere crisis van empathie.

 

Beschaving rust niet uitsluitend op wetten, instituties of sociale orde. Zij rust ook op het menselijke vermogen om zichzelf te begrenzen in relatie tot de ander. Op het vermogen om de ander niet alleen te zien als middel tot behoeftebevrediging, maar als volledig menselijk subject. Zodra dat vermogen verzwakt of wordt ondermijnd, wordt ontmenselijking mogelijk.

 

Juist daarom is empathie geen sentimentele luxe, maar een beschavingsvoorwaarde.

Wanneer een cultuur kwetsbaarheid begint te verachten, emotionaliteit associeert met zwakte en dominantie verheerlijkt als kracht, verschuift langzaam ook de manier waarop mensen elkaar waarnemen. De ander wordt dan steeds minder een wezen waarmee je in relatie staat en steeds meer een object waarop verlangens, frustraties of machtsfantasieën kunnen worden geprojecteerd.

 

Misschien is dat ook wat The Handmaid's Tale zo pijnlijk actueel maakt. Niet alleen het beeld van vrouwenonderdrukking, maar het beeld van een samenleving waarin empathie geleidelijk verdwijnt en menselijke wederkerigheid plaatsmaakt voor controle. Want zodra innerlijkheid verdwijnt, wordt ook de ander gemakkelijker ontzield.

 

 

Patriarchale vervreemding

Daarom moeten we niet alleen spreken over een crisis van vrouwenrechten, maar ook over een crisis van mannelijkheid. Of preciezer nog: een crisis van innerlijkheid binnen mannelijkheid.

 

Veel jongens groeien nog steeds op met impliciete boodschappen over wat het betekent om ‘een echte man’ te zijn. Sterk zijn. Niet huilen. Niet zeuren. Doorgaan. Dominant zijn. Seksueel succesvol zijn. Geen zwakte tonen. Hoewel deze boodschappen zelden letterlijk worden uitgesproken, zijn zij diep verweven geraakt in opvoeding, cultuur, media en sociale groepsdynamiek.

 

Kwetsbaarheid wordt daarbij vaak niet ervaren als iets menselijks, maar als iets bedreigends. Alsof emotionaliteit afbreuk doet aan waardigheid of kracht. Maar emoties verdwijnen niet wanneer zij worden onderdrukt. Zij veranderen slechts van vorm.

 

Verdriet kan omslaan in woede. Schaamte in agressie. Eenzaamheid in ressentiment. Emotionele verwaarlozing in een honger naar controle of bevestiging. Wie geen veilige relatie ontwikkelt met zijn eigen kwetsbaarheid, loopt het risico ook de kwetsbaarheid van anderen steeds moeilijker te kunnen verdragen. Juist daar ontstaat een gevaarlijke vorm van vervreemding.

 

Psychologisch gezien ontstaat empathie namelijk niet alleen vanuit moraliteit, maar ook vanuit innerlijk contact. Het vermogen om geraakt te worden door het lijden van een ander hangt samen met het vermogen om aanwezig te kunnen blijven bij het eigen innerlijke leven. Mensen die leren hun emoties volledig af te splitsen, leren vaak tegelijkertijd afstand nemen van afhankelijkheid, kwetsbaarheid en wederkerigheid in relaties.

 

Daarin schuilt het gevaarlijkste aspect van patriarchale cultuur: zij leert mannen controle, maar geen innerlijkheid.

 

De psychoanalyticus en filosoof Erich Fromm schreef al dat liefde geen spontaan sentiment is, maar een vermogen dat verbonden is met aandacht, verantwoordelijkheid en respect voor de ander als zelfstandig mens. Liefde vraagt volgens hem om het overstijgen van narcistische behoeftebevrediging. Precies daar ontstaat spanning binnen een cultuur waarin mannelijkheid vaak wordt gekoppeld aan dominantie, competitie en emotionele afsluiting.

 

Ook binnen hedendaagse online mannenculturen wordt die dynamiek zichtbaar. In delen van de manosphere wordt vrouwelijke autonomie regelmatig ervaren als bedreiging. Niet omdat vrouwen daadwerkelijk machtiger zijn geworden dan mannen, maar omdat gelijkwaardigheid voor sommige mannen voelt als verlies van controle. Wanneer identiteit grotendeels gebouwd is op dominantie of superioriteit, kan wederkerigheid worden ervaren als aantasting van het zelf.

 

Daarom draait misogynie uiteindelijk zelden uitsluitend om vrouwen. Vaak zegt zij minstens zoveel over angst binnen mannelijkheid zelf: angst voor afwijzing, afhankelijkheid, kwetsbaarheid en verlies van controle.

 

Dat maakt zulke bewegingen niet minder gevaarlijk. Integendeel. Juist mannen die vervreemd raken van hun eigen innerlijke leven kunnen gevoeliger worden voor ideologieën die controle verwarren met kracht en objectivering verwarren met mannelijkheid. En precies daar ontstaat ruimte voor ontmenselijking.

 

Want zodra empathie losraakt van seksualiteit, macht en relaties, verschraalt ook de menselijke ontmoeting. De ander wordt dan niet langer ervaren als een volledig subject met een eigen innerlijk universum, maar als middel voor bevestiging, status of behoeftebevrediging.

 

Uiteindelijk is dat de diepste crisis van deze tijd: niet enkel het verlies van verbinding tussen mannen en vrouwen, maar het verlies van verbinding met het menselijke in onszelf. Want wie geen toegang meer heeft tot zijn eigen kwetsbaarheid, verliest vanzelf ook het vermogen om werkelijk aanwezig te zijn bij de kwetsbaarheid van een ander.

 

 

 

De vrouw als object

Wanneer empathie langzaam losraakt van seksualiteit, verandert ook de manier waarop vrouwen cultureel worden waargenomen. De vrouw verschijnt dan steeds minder als menselijk subject en steeds meer als projectievlak: een lichaam waarop verlangens, frustraties, statusbehoeften en machtsfantasieën kunnen worden geprojecteerd.

 

Objectivering is in die zin meer dan seksuele reductie alleen. Het is een relationele verschuiving waarin de ander niet langer wordt benaderd vanuit wederkerigheid, maar vanuit bruikbaarheid. De vraag verschuift van: wie ben jij? naar: wat beteken jij voor mij?

 

Juist daarin schuilt het gevaar. Want zodra een mens hoofdzakelijk wordt ervaren als functie, bezit of consumptieobject, verdwijnt gemakkelijker het innerlijke besef van begrenzing. De ander verliest dan haar volwaardige subject-zijn. Zij wordt iets waaruit genomen kan worden, in plaats van iemand waarmee je in relatie staat.

 

De filosoof Martin Buber beschreef dit onderscheid als het verschil tussen een Ik-Gij-relatie en een Ik-Het-relatie. In een Ik-Gij-ontmoeting verschijnt de ander als volledig menselijk wezen: onreduceerbaar, levend en wederkerig aanwezig. In een Ik-Het-relatie wordt de ander daarentegen benaderd als object, functie of middel.

 

Hoewel geen enkele samenleving volledig zonder objectivering bestaat, lijkt de hedendaagse cultuur die Ik-Het-dynamiek op steeds grotere schaal te versterken. Sociale media, pornografie, algoritmische aandachtseconomieën en online mannenculturen reduceren menselijke relaties steeds vaker tot consumptieve interacties. Intimiteit raakt vermengd met prestatie, macht en zichtbaarheid. Seksualiteit wordt losgemaakt van wederkerigheid.

 

Binnen delen van de manosphere wordt die objectiverende logica expliciet zichtbaar. Vrouwen worden daar regelmatig beschreven in termen van marktwaarde, seksuele bruikbaarheid of gehoorzaamheid. Hun autonomie verschijnt niet als uitdrukking van menselijkheid, maar als obstakel voor mannelijke behoeftebevrediging. Achter zulke denkbeelden schuilt vaak een diepe vervreemding van relationele wederkerigheid zelf.

 

Wat daarin het meest verontrustend is, is niet alleen de openlijke misogynie, maar de normalisering ervan. Ideeën die ooit als extreem werden beschouwd, circuleren inmiddels via podcasts, memes, forums en influencers naar miljoenen jonge mannen. Vaak verpakt in taal over “mannelijke kracht”, “traditionele waarden” of “de natuurlijke orde”.

 

Maar onder die retoriek ligt vaak iets veel donkerders verscholen: een verlangen naar controle binnen relaties waarin gelijkwaardigheid als bedreigend wordt ervaren.

 

Juist daarom raken zaken zoals die rondom Gisèle Pelicot zoveel vrouwen op existentieel niveau. Niet alleen vanwege de gruwelijkheid van het geweld, maar omdat zulke zaken zichtbaar maken wat er kan ontstaan wanneer empathie volledig wordt losgekoppeld van seksualiteit en macht.

 

Het ontwrichtende zit niet alleen in de daad zelf, maar in het besef dat de betrokken mannen niet noodzakelijkerwijs herkenbaar waren als monsters buiten de samenleving. Zij maakten deel uit van het gewone sociale leven. En precies dat confronteert ons met een ongemakkelijke waarheid: ontmenselijking ontstaat zelden plotseling. Zij groeit vaak geleidelijk binnen culturele structuren waarin vrouwen steeds minder worden gezien als autonome subjecten met een eigen innerlijk leven.

 

Waarschijnlijk is dat ook waarom zoveel vrouwen een vorm van existentiële waakzaamheid met zich meedragen. Het is niet dat vrouwen geloven dat álle mannen gevaarlijk zijn, maar omdat zij weten dat vrouwelijke veiligheid historisch en cultureel nooit volledig vanzelfsprekend is geweest.

 

Meisjes leren al vroeg alert te zijn. Niet te laat alleen fietsen. Niet te veel drinken. Sleutels tussen de vingers houden. Locaties delen met vriendinnen. Opletten in het donker. Voorzichtig zijn. Waakzaam blijven. Die voortdurende alertheid zegt iets fundamenteels over de wereld waarin vrouwen zich bewegen.

 

En daarin schuilt ook meteen de diepste ironie van patriarchale cultuur: mannen worden geacht vrouwen te beschermen, terwijl vrouwen tegelijkertijd vooral bescherming nodig hebben tégen mannen.

 

 

 

De crisis van wederkerigheid

Uiteindelijk ligt daar de diepste crisis van onze tijd verborgen: niet alleen in geweld tegen vrouwen, misogynie of de opkomst van online radicalisering, maar in een langzaam verlies van wederkerigheid zelf.

 

Menselijke relaties bestaan niet uitsluitend uit interacties, maar vooral uit erkenning. Uit het vermogen om de ander te ervaren als een zelfstandig innerlijk universum dat nooit volledig controleerbaar, reduceerbaar of te bezitten is. Zodra dat besef verdwijnt, verschraalt ook de menselijke ontmoeting.

 

De filosoof Emmanuel Levinas beschreef ethiek ooit als iets dat ontstaat in de ontmoeting met het gelaat van de Ander. Niet als abstract moreel systeem, maar als directe confrontatie met de kwetsbaarheid en menselijkheid van iemand buiten onszelf. De Ander doet volgens Levinas een beroep op ons nog vóór wij haar proberen te begrijpen of categoriseren. Juist daarin ontstaat verantwoordelijkheid. Maar precies die ervaring lijkt in een cultuur van objectivering steeds moeilijker toegankelijk te worden.

 

Wanneer mensen voornamelijk worden benaderd vanuit functionaliteit, aantrekkelijkheid, status of ideologische projectie, verschuift de relatie tot de ander fundamenteel. De ander wordt dan steeds minder iemand waarmee je in relatie staat en steeds meer iets waarop verlangens, frustraties of machtsbehoeften kunnen worden geprojecteerd.

 

Dat proces beperkt zich niet tot seksualiteit alleen. Het raakt aan een bredere culturele verschuiving waarin efficiëntie, controle en zelfbevestiging steeds vaker belangrijker worden dan werkelijke aanwezigheid. De Zuid-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han beschrijft in veel van zijn werk hoe hedendaagse samenlevingen steeds meer gekenmerkt worden door narcistische zelfgerichtheid, prestatiedruk en een verlies van contemplatie en relationele diepte. In zo’n cultuur raakt de ander gemakkelijk gereduceerd tot spiegel van het eigen verlangen.

 

Waarschijnlijk verklaart dat ook waarom empathie tegenwoordig soms bijna als hinderlijk wordt ervaren. Werkelijke empathie vertraagt namelijk. Zij dwingt mensen stil te staan bij de innerlijke werkelijkheid van een ander. Zij begrenst macht. Zij maakt gebruik en misbruik zonder schuldgevoel onmogelijk. Precies daarom vormt empathie een bedreiging voor iedere cultuur die controle belangrijker maakt dan wederkerigheid.

 

Dat is ook waarom patriarchale systemen vrouwen historisch gezien zo vaak hebben geprobeerd te controleren: via seksualiteit, religie, economische afhankelijkheid, sociale rollen of lichamelijke autonomie. Niet alleen omdat vrouwen werden gezien als “zwakker”, maar omdat echte gelijkwaardigheid iets fundamenteels vraagt van menselijke relaties. Zij vraagt dat de ander niet langer bezit, functie of projectie is, maar werkelijk ander mag zijn. Voor mensen die hun identiteit grotendeels ontlenen aan controle, superioriteit of dominantie kan dat existentieel bedreigend voelen.

 

En toch ligt juist daar de mogelijkheid van liefde. Niet liefde als romantisch ideaal of emotionele afhankelijkheid, maar liefde als erkenning van de ander als volledig menselijk subject. Liefde als bereidheid om aanwezig te blijven bij de kwetsbaarheid van zowel jezelf als de ander. Liefde als relationele wederkerigheid in plaats van bezit. Want uiteindelijk is dat wat verloren dreigt te raken in een cultuur waarin empathie steeds verder wordt verdrongen door macht, prestatie en controle.

 

Wellicht is dat ook waarom zoveel hedendaagse ontwikkelingen, van misogynistische online subculturen tot geweld tegen vrouwen, niet alleen politieke of sociale symptomen zijn, maar tekenen van een diepere existentiële crisis. Een crisis waarin mensen langzaam vervreemden van hun eigen innerlijke leven en daardoor uiteindelijk ook van elkaar. Want waar wederkerigheid verdwijnt, verdwijnt niet alleen verbinding. Daar verdwijnt ook iets van onze menselijkheid zelf.

 

 

 

Slot: Het verloren midden

Wat mij uiteindelijk het meest verontrust aan deze tijd is niet alleen de zichtbare vormen van geweld, misogynie of maatschappelijke polarisatie, maar het gevoel dat er iets fundamenteels aan het verschuiven is in de manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden.

 

Alsof de ruimte tussen mensen harder is geworden. En kouder.

 

Een ruimte waarin kwetsbaarheid steeds moeilijker verdragen wordt. Waarin empathie en compassie wordt verward met zwakte en controle met kracht. Waarin menselijke relaties steeds vaker worden benaderd vanuit functionaliteit, bevestiging of macht, in plaats van wederkerigheid en aanwezigheid.

 

En dat is wat ik bedoel met Het verloren midden.

 

Niet een politieke middenweg of een veilige positie tussen uitersten, maar een menselijke ruimte waarin de ander nog werkelijk als mens kan verschijnen. Een ruimte waarin kracht en kwetsbaarheid naast elkaar mogen bestaan. Waarin autonomie niet ten koste hoeft te gaan van verbondenheid. Waarin mannelijkheid niet gebouwd hoeft te worden op emotionele afsluiting en vrouwelijkheid niet hoeft te leven onder voortdurende onderdrukking en waakzaamheid.

 

Dat midden voelt in deze tijd ver weg.

 

Wanneer ik kijk naar de opkomst van misogynistische online subculturen, naar geweld tegen vrouwen, naar de normalisering van objectivering en de voortdurende druk op vrouwelijke autonomie, voel ik niet alleen boosheid, maar ook verdriet. Verdriet om een wereld waarin zoveel vrouwen nog altijd leren alert te zijn. Waarin meisjes al jong begrijpen dat hun veiligheid nooit volledig vanzelfsprekend is.

 

Als moeder voel ik die spanning diep. Ik leer mijn zoon dat emoties geen bedreiging vormen voor zijn mannelijkheid. Dat hij mag huilen, twijfelen en kwetsbaar mag zijn zonder iets van zijn waardigheid te verliezen. Tegelijkertijd leer ik mijn dochter haar grenzen te bewaken. Haar stem te gebruiken. Alert te zijn. Zichzelf te beschermen in een wereld waarin geweld tegen vrouwen nog altijd een dagelijkse realiteit is.

 

Die tegenstelling voelt soms ondraaglijk pijnlijk. Want geen enkel meisje zou moeten opgroeien met het besef dat waakzaamheid onderdeel is van vrouw-zijn.

 

En toch weiger ik te geloven dat dit het eindpunt van menselijke ontwikkeling is.

Juist omdat patriarchale vervreemding cultureel gevormd is, kan zij ook cultureel worden doorbroken. Jongens kunnen leren dat empathie geen zwakte is. Mannen kunnen opnieuw verbinding maken met hun innerlijke leven. Relaties kunnen opnieuw worden gebouwd op wederkerigheid in plaats van controle. Beschaving hoeft niet uitsluitend te rusten op wetten of sociale orde, maar kan ook rusten op emotionele volwassenheid, innerlijkheid en het vermogen om de ander werkelijk als mens te blijven zien.

 

Uiteindelijk is dat de hoop die onder dit hele thema verborgen ligt:

 

dat het verloren midden niet definitief verdwenen is.

 

Alleen uit het zicht geraakt. En dat juist in een tijd waarin empathie steeds verder onder druk komt te staan, het vermogen om werkelijk aanwezig te blijven bij onszelf én bij elkaar misschien wel een van de meest radicale vormen van menselijkheid wordt.

Fragiele laag van beschaving, Handmaid's Tale, dystopie
bottom of page