top of page

Hoe alles samenviel

De levensloop van een gedachtegoed

 

 

 

 

​

​

Sommige gedachten beginnen lang voordat er woorden voor bestaan. Ze bewegen onder de oppervlakte van een leven, keren terug in steeds andere vragen en laten zich af en toe zien in iets wat je raakt, verwart of blijft achtervolgen. Pas veel later kan zichtbaar worden dat al die ogenschijnlijk losse vragen rond hetzelfde middelpunt bewegen.

 

Terugkijkend zie ik dat mijn zoektocht begon in de eerste verbindingen van mijn bestaan, in de relaties met mijn ouders. Daar leerde ik voor het eerst wat nabijheid, afhankelijkheid, veiligheid en gemis betekenden. Daar ontstonden de eerste indrukken van wat mensen voor elkaar kunnen zijn en van wat er gebeurt wanneer wezenlijke behoeften tussen mensen geen antwoord vinden. Ik kon dat toen nog niet begrijpen. Een kind beschikt niet over het vermogen om de wereld waarin het opgroeit van een afstand te bekijken. Het ervaart, past zich aan en neemt wat zich tussen mensen afspeelt op in de manier waarop het zichzelf en de wereld leert kennen.

 

Later verschenen dezelfde vragen in andere vormen. Ze vonden hun weg naar mijn werk, schrijverschap, kunstenaarspraktijk en belangstelling voor psychologie, filosofie en de menselijke samenleving. Ik dacht na over empathie, waarheid, erkenning, macht, geweld, innerlijkheid en beschaving. Over wat mensen bij elkaar houdt en wat er verloren gaat wanneer de ander uit beeld verdwijnt. Ik voelde dat deze onderwerpen met elkaar samenhingen, al bleef hun gezamenlijke grond lange tijd buiten mijn bereik. De gedachte was aanwezig, maar leefde nog in abstractie.

 

Tot één relationele ervaring alles openbrak. Wat ik jarenlang van een afstand had onderzocht, kwam ineens dichtbij. In korte tijd begonnen mijn persoonlijke geschiedenis, mijn werk en mijn denken zich met elkaar te verbinden. Vragen die los van elkaar hadden bestaan, bleken deel van hetzelfde patroon. Ik dacht dat ik probeerde te begrijpen wat er binnen één relatie was gebeurd, maar langzaam begon ik te zien dat ik al veel langer probeerde te begrijpen wat verbinding is, hoe zij ons vormt en wat zij nodig heeft om leven te kunnen laten floreren.

 

Dit is het verhaal van hoe die gedachte door mijn leven liep, lang voordat ik haar kon herkennen, en hoe uiteindelijk alles samenviel.

 

​

De eerste verbindingen

De eerste wereld die een mens leert kennen, bestaat uit andere mensen. Nog voordat er een besef van een eigen ik ontstaat, is er de ervaring van nabijheid, aanraking, stem, afstemming en antwoord. In die eerste relaties krijgt het bestaan vorm. Een kind leert zichzelf kennen via de mensen van wie het afhankelijk is en bouwt uit hun reacties een eerste beeld op van wie het is, wat het waard is en wat het van de wereld mag verwachten.

 

Ook mijn verhaal begon daar, in de verbindingen met mijn ouders. Alles wat zich binnen die relaties afspeelde, werd onderdeel van de bodem waarop ik verder groeide. Ervaringen van aanwezigheid en afwezigheid, van gezien worden en iets alleen moeten dragen, kregen een plaats in mij voordat ik ze kon begrijpen. Zoals ieder kind zocht ik mijn weg binnen de wereld die mij gegeven was. Ik leerde waarnemen, aanvoelen en mij verhouden tot wat er tussen de mensen om mij heen gebeurde. Ik leerde al vroeg een ruimte binnen te komen en eerst te voelen hoe de stemming was. Soms lag die in een blik, een stilte of de manier waarop iemand bewoog. Nog voordat er iets was gezegd, probeerde ik te begrijpen wat er van mij werd gevraagd en hoeveel ruimte er voor mijzelf beschikbaar was.

 

Een kind maakt nog geen onderscheid tussen zichzelf en de relationele werkelijkheid waarin het opgroeit. Het vraagt zich niet af of de omgeving voldoende kan antwoorden op wat het nodig heeft. Het zoekt de verklaring bij zichzelf, past zich aan en ontwikkelt manieren om de verbinding te bewaren. Wat ooit ontstaat als een vorm van bescherming, kan ongemerkt meegroeien en later opnieuw zichtbaar worden in de manier waarop iemand liefheeft, verantwoordelijkheid draagt, grenzen ervaart en betekenis geeft aan het gedrag van anderen.

 

Lange tijd zag ik deze eerste verbindingen vooral als deel van mijn persoonlijke geschiedenis. Pas veel later begon ik te begrijpen dat ze ook mijn manier van kijken hadden gevormd. Ik werd gevoelig voor wat zich onder woorden afspeelt, voor de afstand tussen wat mensen zeggen en wat zij werkelijk laten zien en voelen, voor de momenten waarop iemand aanwezig lijkt, maar tegelijk onbereikbaar blijft. Ik raakte geboeid door de onzichtbare ruimte tussen mensen, de plek waar vertrouwen kan ontstaan, waar verwonding zich kan nestelen en waar een mens zichzelf soms langzaam uit het oog verliest.

 

Daar, in die eerste relationele wereld, ontstond waarschijnlijk de onderstroom die veel later door mijn werk en mijn schrijven zou lopen. De vragen hadden nog geen taal en wezen nog nergens duidelijk naartoe. Toch waren ze aanwezig. Wat maakt dat een mens

zich werkelijk gezien voelt? Hoe ontstaat veiligheid tussen mensen? Wat gebeurt er wanneer liefde en pijn met elkaar verweven raken? Hoe kan een verbinding blijven bestaan en tegelijk iets wezenlijks in een mens beschadigen?

 

Ik kende de antwoorden nog niet. Ik wist zelfs nog niet dat ik deze vragen met mij meedroeg. Ze bewogen mee door mijn leven, verborgen in mijn aandacht voor anderen en in mijn verlangen te begrijpen wat zich tussen mensen voltrekt. Achteraf zie ik dat mijn zoektocht naar verbinding hier al was begonnen.

 

 

Een leven lang kijken

Wat in mijn jeugd begon als aandacht voor de wereld tussen mensen, groeide uit tot een manier van kijken. Ik raakte steeds opnieuw geboeid door de vraag waarom mensen doen wat zij doen, waar gedrag vandaan komt en wat er schuilgaat achter de verhalen die zij over zichzelf vertellen. Vaak leek de zichtbare werkelijkheid slechts de bovenste laag. Daaronder bewogen angsten, verlangens, schaamte, macht, afhankelijkheid en de behoefte door een ander gezien te worden.

 

In mijn werk binnen de psychiatrie en verslavingszorg kreeg die belangstelling een professionele vorm. Ik ontmoette mensen bij wie gedrag vaak werd beschreven in termen van symptomen, stoornissen, risico’s en terugval. Achter die begrippen bevonden zich levens waarin ervaringen zich hadden opgestapeld. Middelengebruik staat zelden op zichzelf. Het is verweven met pijn, verlies, onveiligheid, eenzaamheid, ouderschap, relaties en manieren van overleven die ooit een functie hadden gekregen. Hoe langer ik dit werk deed, hoe duidelijker ik zag dat een mens nauwelijks te begrijpen is wanneer zijn omgeving, geschiedenis en relaties buiten beschouwing blijven.

 

Vooral in het werken met ouders werd zichtbaar hoe ervaringen zich door generaties kunnen bewegen. Wat iemand als kind heeft ontvangen of gemist, klinkt door in de manier waarop diegene later nabijheid biedt, spanning verdraagt en reageert op de behoeften van een eigen kind. Ouderschap brengt het verleden opnieuw tot leven en opent tegelijk de mogelijkheid om een andere beweging te maken. In die ruimte tussen herhaling en verandering zag ik hoe kwetsbaar en krachtig verbinding kan zijn.

 

Ook mijn eigen moederschap verdiepte mijn vragen. Mijn kinderen laten van dichtbij zien dat ontwikkeling ontstaat in voortdurende wisselwerking. Ik merkte hoe sterk mijn verlangen was om mijn kinderen iets te geven waarvoor ik zelf lang naar woorden had gezocht: de ervaring dat hun binnenwereld er mag zijn. Juist in hun afhankelijkheid werd voelbaar hoeveel verantwoordelijkheid er ligt in de manier waarop een volwassene kijkt, luistert en antwoordt. In de blik van een ouder leert een kind iets over zichzelf. In de manier waarop er op verdriet, woede, angst en eigenheid wordt gereageerd, vormt zich langzaam een innerlijke wereld. Elke generatie ontvangt iets, verandert iets en geeft iets door. Daarmee werd steeds voelbaarder dat geen enkel mens uitsluitend uit zichzelf bestaat.

 

Mijn schrijven bewoog langs dezelfde onderstroom. Ik schreef over empathie, waarheid, erkenning, grenzen, misogynie, vervreemding, geweld en de fragiele laag van beschaving. Ik onderzocht wat er gebeurt wanneer mensen elkaar reduceren tot functie, lichaam, spiegel of gebruiksvoorwerp. Steeds keerde ik terug naar het verdwijnen van de ander als mens, naar het moment waarop wederkerigheid plaatsmaakt voor beheersing en innerlijkheid haar betekenis verliest.

 

Toch bleef hun samenhang lange tijd buiten bereik. Mijn werk, persoonlijke geschiedenis, moederschap en filosofische vragen spraken ieder hun eigen taal, terwijl verbinding zich al bevond in vrijwel iedere vraag die mij werkelijk bezighield. Er was een ervaring nodig die deze afzonderlijke lijnen uiteindelijk bij elkaar zou brengen.

 

 

De jaren van abstractie

Mijn vragen werden in de loop der jaren steeds groter. Wat begon als een poging om menselijk gedrag te begrijpen, verschoof langzaam naar de voorwaarden waaronder mensen samenleven. Ik wilde weten wat een samenleving bijeenhoudt, waar beschaving werkelijk uit bestaat en wat er verdwijnt wanneer mensen elkaar steeds minder als mens ontmoeten.

​

Ik zocht naar antwoorden in de psychologie en de filosofie, in het werk van denkers die schreven over menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid, erkenning en de ruimte tussen mensen. Hun woorden hielpen mij om scherper te kijken, maar tegelijk bleef er iets ongrijpbaars. Elk begrip verlichtte een deel van het landschap, terwijl het geheel zich nog aan mijn blik onttrok.

 

Empathie lijkt een voorwaarde voor menselijkheid. Erkenning maakt het mogelijk dat iemand als zelfstandig subject kan bestaan. Wederkerigheid beschermt de relatie tegen gebruik en uitbuiting. Innerlijkheid geeft diepte aan het zelf en aan de ontmoeting met de ander. Grenzen bieden bescherming tegen versmelting en overheersing. Al deze begrippen lijken naar dezelfde kern te wijzen, al kon ik die kern nog niet benoemen.

 

Daardoor bleef mijn denken lange tijd abstract. Ik zag hoe maatschappelijke structuren mensen van elkaar konden verwijderen en hoe macht de ander kon reduceren tot middel. Ik zag de gevolgen van uitsluiting, objectivering en het verdwijnen van een gedeelde werkelijkheid. Ik voelde dat de erosie van empathie iets wezenlijks aantast, iets wat verder reikt dan afzonderlijke relaties. Het gaat over de bodem waarop menselijke gemeenschappen bestaan.

 

In mijn hoofd ontstond langzaam een ecosysteem. Een samenleving begon ik te zien als een levend geheel waarin ieder deel afhankelijk is van andere delen. Wanneer de bodem wordt gevoed, ontstaat ruimte voor groei, verscheidenheid en herstel. Wanneer die bodem uitgeput of verstikt raakt, verspreidt de schade zich door het hele systeem. Individueel lijden en maatschappelijke ontregeling begon ik steeds meer te zien als processen die elkaar wederzijds beïnvloeden en versterken.

 

Toch ontbrak er nog een ordenend principe. Ik beschikte over woorden voor afzonderlijke eigenschappen en gevolgen, maar nog niet over het begrip dat hun samenhang kon dragen. Mijn denken bewoog tussen individu en samenleving, psyche en moraal, en persoonlijke verantwoordelijkheid en systemische invloed. Steeds wanneer ik meende dichter bij de kern te komen, viel zij opnieuw uiteen in verschillende thema’s.

 

Waarschijnlijk kon ik haar nog niet zien omdat zij te abstract bleef. De afstand van abstractie maakte denken, analyseren en schrijven mogelijk, terwijl mijn eigen leven dezelfde vragen allang met zich meedroeg. Er ontbrak nog een ervaring die de losse begrippen uit hun afzondering zou halen en mij zou dwingen ze als één geheel te zien.

 

Toen die ervaring kwam, verdween ook de afstand.

 

 

Het breukvlak

De relationele ervaring die volgde, bracht mij in aanraking met alles waarover ik tot dan toe vooral had nagedacht. Begrippen als erkenning, wederkerigheid, waarheid en verantwoordelijkheid kregen een lichamelijke en emotionele werkelijkheid. Ik leerde van binnenuit wat er gebeurt wanneer een verbinding intens blijft, terwijl de voorwaarden die haar zouden moeten dragen langzaam verdwijnen.

 

In het begin was er nabijheid, herkenning en het gevoel werkelijk gevonden te zijn. Juist daardoor kreeg de verbinding zoveel betekenis. Zij raakte aan een oud verlangen en opende een ruimte waarin ik geloofde dat ik volledig gezien kon worden. Wat daarna verschoof, gebeurde geleidelijk. De gedeelde werkelijkheid werd minder betrouwbaar. Woorden en handelingen raakten steeds verder van elkaar verwijderd. Grenzen verloren hun vanzelfsprekendheid en wederkerigheid maakte plaats voor een beweging waarin ik steeds meer probeerde te begrijpen, te herstellen en bijeen te houden.

 

Hoe minder houvast de verbinding bood, hoe harder ik ervoor werkte. Ik zocht verklaringen, woog woorden, onderzocht mijn eigen aandeel en probeerde opnieuw betekenis te geven aan wat voortdurend van vorm veranderde. Mijn vermogen om mij in een ander te verplaatsen, jarenlang een bron van kracht in mijn werk en mijn leven, keerde zich langzaam tegen mij. Begrip werd een manier om langer te blijven staan in een werkelijkheid die mij steeds verder uit mijn eigen midden trok.

 

Daarmee raakte de ervaring ook aan oudere lagen. Patronen die ooit waren ontstaan om verbinding te bewaren, werden opnieuw actief. Ik voelde hoe gemakkelijk een mens zichzelf kan verlaten in een poging de ander vast te houden. Hoe grenzen kunnen vervagen wanneer verlies voortdurend op de loer ligt. Hoe het verlangen naar erkenning iemand ontvankelijk maakt voor een verbinding waarin die erkenning telkens wordt beloofd en weer wordt ingetrokken. 

 

De grootste ontregeling ontstond in de aantasting van de gedeelde werkelijkheid. Wanneer woorden hun betrouwbaarheid verliezen en verantwoordelijkheid telkens verschuift, raakt een mens meer kwijt dan vertrouwen in de ander. Ook het vertrouwen in de eigen waarneming komt dan onder druk te staan. Wat ik zag, voelde en wist, moest steeds opnieuw worden onderzocht. Mijn binnenwereld raakte gevuld met vragen waarop binnen de relatie geen duurzaam antwoord kon ontstaan.

 

Toch bleef de verbinding bestaan. Zij bleef doorwerken in mijn gedachten, mijn lichaam en mijn pogingen om te begrijpen wat er was gebeurd. Juist daarin lag een inzicht dat ik pas later volledig kon bevatten: verbinding verdwijnt niet zodra zij ophoudt veilig of wederkerig te zijn. Ook een destructieve verbinding vormt een mens. Zij ordent aandacht, activeert oude beschermingspatronen, verandert het zelfbeeld en bepaalt gedurende enige tijd welke werkelijkheid mogelijk lijkt.

 

Toen de relatie uiteindelijk eindigde, begon het werkelijke begrijpen. De afstand die ontstond, gaf mij langzaam mijn eigen waarneming terug. Ik kon zien wat nabijheid eerder aan het zicht had onttrokken. De ervaring werd een breukvlak waarlangs verschillende lagen van mijn leven ineens zichtbaar werden: mijn vroegste verbindingen, mijn neiging tot begrijpen en dragen, mijn professionele belangstelling, mijn filosofische vragen en mijn jarenlange zoektocht naar de voorwaarden van menselijkheid.

 

Ik dacht dat ik één relatie probeerde te begrijpen, maar in werkelijkheid stond ik aan het begin van een veel grotere vraag:

 

Wat is verbinding, hoe vormt zij ons en wat moet zij bevatten om het leven werkelijk te kunnen dragen?

 

 

Toen alles begon samen te vallen

Na de breuk begon ik te schrijven vanuit een andere noodzaak. Schrijven werd een manier om mijn werkelijkheid opnieuw bijeen te brengen. Door iedere tekst werd een volgende laag blootgelegd. Ik onderzocht patronen van ontkenning, machtsverschuiving, objectivering en verlies van empathie. Wat aanvankelijk persoonlijk leek, bleek telkens een opening naar iets groters. In de dynamiek van één relatie herkende ik structuren die ook zichtbaar zijn binnen gezinnen, organisaties en samenlevingen.

 

Mijn aandacht verschoof steeds meer naar de ruimte tussen mensen. Daar wordt bepaald wiens ervaring geloofwaardig is, wie zich moet aanpassen en wie het recht behoudt om de werkelijkheid te definiëren. Daar zag ik hoe macht zich kan verbergen in taal, hoe verantwoordelijkheid kan worden afgewend en hoe iemand uit beeld kan verdwijnen terwijl de relatie ogenschijnlijk blijft bestaan. De tussenruimte blijkt de plek waar menselijkheid wordt bevestigd of uitgehold.

 

Vanuit die ontdekking ontstonden de verschillende middens waarover ik begon te schrijven. Het lege midden beschrijft een ruimte van afwezigheid en uitholling van verbinding. Het sacrale midden richt zich op datgene wat tussen mensen bescherming en eerbied verdient. Het verloren midden onderzoekt hoe beschaving erodeert wanneer empathie, innerlijkheid en erkenning hun dragende kracht verliezen. Elk midden belicht een ander aspect van dezelfde werkelijkheid, al zag ik hun onderlinge samenhang aanvankelijk nog slechts in delen.

 

Dezelfde beweging verscheen in mijn essays, werk en eigen herstel. Op verschillende niveaus zag ik hoe innerlijkheid, psychische ontregeling, ouderschap en sociale omstandigheden in elkaar grijpen, en hoe verandering ontstaat wanneer de verhouding tot jezelf, je geschiedenis en de ander opnieuw vorm krijgt.

 

Zelfs de naam die ik jaren eerder aan mijn website had gegeven, bleek het antwoord al te dragen: Memory of Connection. Mijn intuïtie had het centrale begrip kennelijk al gevonden, lang voordat ik begreep welke vraag ik probeerde te beantwoorden.

 

Daarna ging het ineens snel. Begrippen die jarenlang los naast elkaar hadden gelegen, schoven naar elkaar toe. Erkenning, wederkerigheid, waarheid, empathie, grenzen, autonomie, veiligheid en innerlijkheid bleken eigenschappen van iets fundamenteler. Ze beschrijven allemaal wat er binnen een verbinding nodig is om mensen ruimte te geven zich te ontwikkelen en zichzelf te blijven.

 

Verbinding kreeg daardoor een andere betekenis. Zij blijkt veel groter dan nabijheid, liefde of contact. Ook afwijzing, overheersing en geweld bestaan binnen relaties van wederzijdse beïnvloeding. Een destructieve verbinding kan diep en langdurig doorwerken. Haar intensiteit zegt weinig over haar vermogen om dragend te zijn. De wezenlijke vraag ligt dan ook in haar kwaliteit: welke ruimte biedt zij voor verschil, waarheid, begrenzing, verantwoordelijkheid en herstel.

 

Op dat moment begon ook mijn bodemmetafoor vorm te krijgen. Verbinding verscheen als de voedingsbodem van het menselijke ecosysteem. Alles wat binnen dat ecosysteem groeit, wordt mede gevormd door de toestand van die bodem. Waar veiligheid, waarheid, wederkerigheid en erkenning aanwezig zijn, ontstaat ruimte voor ontwikkeling. Waar verbinding wordt verstikt door macht, ontkenning of uitbuiting, verspreidt de ontregeling zich uiteindelijk door het hele systeem. Zij wordt zichtbaar in mensen, relaties, instituties en uiteindelijk in de samenleving zelf.

 

Wat jarenlang abstract was gebleven, kreeg ineens een samenhangende vorm. Mijn vroege ervaringen, werk, moederschap, essays en relationele geschiedenis bleken rond dezelfde kern te bewegen.

 

En toen pas begreep ik dat verbinding al die tijd de onderliggende grammatica was geweest van alles waarnaar ik zocht.

 

 

Verbinding als ordeningsprincipe

Vanuit die herkenning ontvouwde zich een gedachte die steeds verder reikte. Wanneer verbinding bepalend is voor de ontwikkeling van een mens, geldt die werking dan ook voor grotere systemen? Een gezin, een organisatie en een samenleving bestaan immers eveneens uit relaties waarin informatie, zorg, macht, verantwoordelijkheid en betekenis voortdurend worden uitgewisseld. Iedere verandering werkt door in andere delen van het geheel.

 

Hoe verder ik uitzoomde, hoe vaker hetzelfde patroon verscheen. Een mens bestaat door de verbinding tussen lichaam en omgeving, verleden en heden, zelf en ander. Identiteit ontstaat in verhouding tot wat buiten ons ligt. Taal krijgt betekenis doordat woorden naar elkaar en naar de wereld verwijzen. Een samenleving bestaat dankzij ontelbare vormen van afhankelijkheid. Ook de natuur is een levend netwerk van uitwisseling waarin ieder organisme wordt gedragen en begrensd door zijn omgeving.

 

Langzaam groeide het vermoeden dat verbinding meer is dan een menselijke behoefte of een psychologische voorwaarde. Misschien is zij het ordeningsprincipe van het bestaan zelf. Niets ontstaat volledig uit zichzelf. Alles krijgt vorm binnen relaties en wordt mede bepaald door de krachten die daarin werkzaam zijn. Hiermee betreedt mijn denken het terrein van de filosofische hypothese: de gedachte reikt verder dan mijn persoonlijke ervaring of de psychologie alleen kan aantonen en vraagt daarom om zorgvuldig onderzoek.

 

De uitspraak alles is met alles verbonden kreeg daarmee voor mij een diepere betekenis. Zij verwijst naar de fundamentele afhankelijkheid die door alle lagen van het bestaan heen loopt. Iedere vorm van leven ontvangt, verwerkt en geeft door. Iedere handeling beweegt verder door een netwerk waarvan wij slechts een klein deel kunnen overzien. Zelfs afzonderlijkheid bestaat dankzij een grens die het ene in verhouding plaatst tot het andere.

 

Juist die grens blijkt essentieel. Verbinding vraagt immers ook om verschil. Zonder eigenheid ontstaat versmelting en verliest ontmoeting haar betekenis. Een gezonde verbinding biedt ruimte aan nabijheid en autonomie, afhankelijkheid en vrijheid, openheid en begrenzing. In die spanning kan iets nieuws ontstaan dat geen van de afzonderlijke delen alleen zou kunnen voortbrengen.

 

Daar ligt ook het verschil tussen verbinding als bestaansprincipe en de kwaliteit van een concrete verbinding. Alles staat in verhouding, terwijl iedere verhouding een andere uitwerking heeft. Sommige verbindingen vergroten het vermogen om te leven, te denken, te voelen en te groeien. Andere vernauwen dat vermogen, putten uit of brengen schade aan. De intensiteit van een verbinding vertelt weinig over haar kwaliteit. Daarvoor moeten we kijken naar de manier waarop veiligheid, macht, wederkerigheid, erkenning, grenzen en herstel binnen die verbinding zijn georganiseerd.

 

De gedachte dat alles verbonden is, vormt daarom het begin van mijn theorie van verbinding. De verklaring ontstaat wanneer zichtbaar wordt wat met wat verbonden is, welke invloed er stroomt, hoe die invloed wordt verdeeld en wat zij binnen het grotere geheel voortbrengt.

 

Daaruit groeide een vraag die inmiddels het hart van mijn zoektocht vormt:

 

Welke eigenschappen van verbinding maken welke vormen van menselijk en maatschappelijk functioneren mogelijk, en via welke mechanismen?

 

In die vraag komen mijn persoonlijke geschiedenis, professionele ervaring en filosofisch denken uiteindelijk samen. Wat ooit begon als een woordeloos zoeken naar veiligheid en erkenning, ontwikkelde zich tot een poging om de voorwaarden te begrijpen waaronder mensen en samenlevingen kunnen floreren.

 

 

Wanneer de cirkel rond is

Nu ik terugkijk, zie ik hoe de gedachte zich door mijn leven heen heeft bewogen. Zij begon in mijn eerste relaties en vond een weg door mijn werk, moederschap, kunst, schrijven en filosofische vragen. Een latere relationele ervaring rangschikte deze lagen opnieuw en maakte hun onderlinge samenhang zichtbaar.

 

Wat ik zocht, bleek al die tijd aanwezig in de manier waarop alles met elkaar samenhangt. Verbinding is de werkelijkheid waarin wij ontstaan en elkaar voortdurend vormen. Haar kwaliteit bepaalt welke mogelijkheden binnen een mens, een relatie of een samenleving kunnen groeien. Waar de dragende voorwaarden worden aangetast, vernauwt die ruimte en verspreidt de ontregeling zich verder.

 

Daaruit volgt ook een verantwoordelijkheid. Wanneer ons bestaan door verbinding wordt gedragen, heeft iedere manier waarop wij ons tot anderen verhouden gevolgen die verder reiken dan het moment zelf. Wat wij bevestigen, ontkennen, beschermen of doorgeven, wordt onderdeel van de bodem waarop ander leven verder groeit. Wij ontvangen die bodem van de generaties voor ons en laten haar achter voor degenen die na ons komen.

 

Mogelijk ligt daarin ook de zin van het bestaan besloten: deelnemen aan het web van verbinding op een manier die het vermogen tot leven voor iedereen vergroot. Door werkelijk te zien, zorgvuldig te begrenzen, verantwoordelijkheid te dragen en ruimte te laten voor de eigenheid van de ander. Door schade onder ogen te komen en te voorkomen dat zij zich vanzelfsprekend blijft herhalen. Door iets door te geven waarin een ander vrijer kan ademen dan wij ooit zelf hebben gekund.

​

En daarmee is de cirkel rond. Met de mens die ontstaat in verhouding tot anderen en vanuit die eerste verbindingen een leven lang zoekt naar wat hem kan dragen.

 

Toch voelt dit nauwelijks als een einde. De gedachte die zo lang onder de oppervlakte van mijn leven bewoog, heeft nu eindelijk een vorm gekregen. Nu begint het onderzoek naar haar werking, voorwaarden en grenzen. Naar wat verbinding gezond en duurzaam maakt, naar de wijze waarop zij mensen, relaties en samenlevingen kan voeden of verstikken en naar wat wij kunnen veranderen wanneer wij leren zien wat er werkelijk tussen ons gebeurt.

 

Ik ben omdat wij zijn.

 

 En wat wij worden, ontstaat tussen ons.

bottom of page