top of page

Gewone mannen

De banaliteit van ontmenselijking in het digitale tijdperk

 

 

 

 

 

De verkeerde vraag

Wanneer berichten verschijnen over (seksueel) geweld tegen vrouwen, vrouwenhaat of online gemeenschappen waarin vrouwen worden vernederd, stellen veel mensen automatisch dezelfde vraag:

 

Wat voor man doet zoiets?

 

Het is een begrijpelijke vraag, ze biedt houvast, want zolang we geloven dat dergelijke gebeurtenissen uitsluitend worden veroorzaakt door uitzonderlijke individuen, kunnen we een geruststellende afstand bewaren. Dan bevinden de daders zich aan de rand van de samenleving, ze zijn anders dan wij. Monsters. Psychopaten. Afwijkingen.

 

Maar wat als die veronderstelling ons juist verhindert om het probleem werkelijk te begrijpen?

 

De afgelopen jaren hebben verschillende gebeurtenissen geleid tot maatschappelijke verontwaardiging. De zaak van Gisèle Pelicot, online gemeenschappen waarin vrouwen worden vernederd of gedeeld als seksuele objecten, de opkomst van de manosphere en de verspreiding van misogyne ideeën via sociale media. In vrijwel alle gevallen ontstaat dezelfde reflex: we proberen de betrokken mannen te onderscheiden van de rest van de samenleving.

 

Toch is dat precies waar Hannah Arendt voor waarschuwde. Toen Arendt verslag deed van het proces tegen Adolf Eichmann verwachtte zij een monster aan te treffen, iemand die zich fundamenteel onderscheidde van andere mensen. Wat zij aantrof was iets veel verontrustender: een opvallend gewone man. Geen sadistische psychopaat of demonische figuur en geen uitzonderlijke persoonlijkheid. En juist die normaliteit schokte haar.

 

Arendt concludeerde dat het kwaad zich niet altijd manifesteert in spectaculaire vormen van wreedheid. Soms verschijnt het juist in de vorm van gedachteloosheid, in het onvermogen om stil te staan bij de gevolgen van het eigen handelen en in het verdwijnen van de ander uit het morele bewustzijn.

 

Dat inzicht is ongemakkelijk, want het verschuift de vraag. Die is dan niet langer: Wat voor monsters doen dit? Maar: Hoe kunnen gewone mensen deelnemen aan processen van ontmenselijking?

Die vraag is vandaag misschien relevanter dan ooit. Want de meeste mannen die terechtkomen in online gemeenschappen vol vrouwenhaat beschouwen zichzelf niet als slechte mensen. De meeste mannen die objectiverende ideeën delen, ervaren zichzelf niet als onderdrukkers. De meeste mannen die gevoelig zijn voor dergelijke denkbeelden zijn geen psychopaten.

 

Het zijn vaak gewone mannen.

 

Mannen met onzekerheden, met afwijzingen, verlangens, teleurstellingen en gevoelens waarvoor zij niet altijd woorden hebben. Daarom verdient dit onderwerp aandacht; niet omdat iedere man een gevaar vormt, maar omdat de grens tussen empathie en ontmenselijking niet loopt tussen goede en slechte mensen. Zij loopt dwars door ieder mens heen.

 

Ontmenselijking begint veel eerder dan we denken. Het begint niet pas bij geweld of haat, maar op het moment dat de ander langzaam ophoudt een volwaardig mens te zijn.

 

 

 

De aantrekkingskracht van eenvoudige verklaringen

Mensen raken zelden van de ene op de andere dag overtuigd van extreme ideeën. Radicalisering verloopt meestal geleidelijk. Zij begint vaak niet eens met haat, maar met iets veel alledaagser: verwarring, teleurstelling, onzekerheid of pijn. Mensen zoeken naar verklaringen voor ervaringen die moeilijk te begrijpen zijn. Waarom lukt het niet om een partner te vinden? Waarom voelen relaties zo ingewikkeld? Waarom ben ik niet goed genoeg? Waarom voelt het alsof anderen vooruitgaan terwijl ik achterblijf?

 

Op zichzelf zijn dat volkomen menselijke vragen. Iedereen ervaart afwijzing, teleurstelling en onzekerheid. De manier waarop mensen betekenis geven aan die ervaringen verschilt echter sterk. Sommige mensen gebruiken pijn als aanleiding tot zelfreflectie, anderen zoeken de oorzaak vooral buiten zichzelf. Daar ontstaat een belangrijk psychologisch mechanisme.

 

Wanneer gevoelens van schaamte, afwijzing of machteloosheid moeilijk te verdragen zijn, ontstaat vaak de neiging om deze gevoelens te projecteren op anderen. De pijn blijft aanwezig, maar krijgt een nieuwe verklaring. Niet ik heb een probleem, maar de wereld heeft een probleem. Het zijn niet mijn verwachtingen die vragen om onderzoek, maar anderen zijn de oorzaak van mijn lijden. Dat mechanisme is zo oud als de mensheid zelf. Het maakt complexe ervaringen eenvoudiger en overzichtelijker en het biedt een duidelijke verklaring voor gevoelens die anders verwarrend of pijnlijk zouden blijven.

 

In de hedendaagse digitale wereld bestaan talloze gemeenschappen die precies dat aanbieden. Ze bieden geen ruimte voor twijfel complexiteit of zelfonderzoek, maar voor zekerheid, eenvoudige verklaringen en duidelijke schuldigen.

 

Binnen delen van de manosphere krijgt deze dynamiek een herkenbare vorm. Relatieproblemen, seksuele frustraties en gevoelens van afwijzing worden er vaak verklaard vanuit een vast wereldbeeld waarin vrouwen een centrale rol spelen. Vrouwen zouden oppervlakkig zijn, manipulatief, hypergaam en enkel geïnteresseerd in status en geld. De werkelijkheid wordt teruggebracht tot een overzichtelijk verhaal waarin persoonlijke teleurstellingen een duidelijke oorzaak krijgen.

 

De aantrekkingskracht van zulke verklaringen mag niet worden onderschat. En niet omdat zij waar zijn, maar omdat zij psychologisch aantrekkelijk zijn. Een eenvoudige verklaring biedt rust, zij vermindert onzekerheid, beschermt tegen gevoelens van schaamte en kwetsbaarheid, en maakt een ingewikkelde werkelijkheid overzichtelijk. Daarom zijn dergelijke ideeën vaak aantrekkelijker dan zelfreflectie.

 

Zelfreflectie vraagt immers iets moeilijks. Zij vraagt dat mensen onderzoeken welke rol zij zelf spelen in hun ervaringen. Dat zij hun eigen onzekerheden onder ogen zien en verantwoordelijkheid nemen voor hun acties en emoties. Dat proces is pijnlijk of op zijn minst ongemakkelijk, een vijand aanwijzen is vaak gemakkelijker.

 

Hier raken psychologie en filosofie elkaar. Want zodra mensen hun frustraties steeds meer verklaren vanuit stereotype beelden van vrouwen, verandert ook hun blik op vrouwen. Individuele personen maken langzaam plaats voor categorieën en de complexiteit van echte mensen wordt vervangen door vereenvoudigde beelden. De vrouw wordt een type, een groep en een verklaring.

 

En daarmee zijn we opnieuw aangekomen bij een proces dat we al eerder hebben gezien. Het proces waarin niet de ontmoeting met een mens centraal staat, maar een idee over mensen. Ontmenselijking begint precies daar: op het moment dat een individu verdwijnt achter een categorie die alles lijkt te verklaren.

 

 

 

Wanneer vrouwen categorieën worden

Een van de meest opvallende kenmerken van online gemeenschappen waarin misogyne ideeën circuleren, is de manier waarop vrouwen worden beschreven. Naarmate je je verder verdiept in deze digitale subculturen, valt op hoe zelden er wordt gesproken over concrete vrouwen van vlees en bloed. In plaats daarvan verschijnen vrouwen vooral als categorieën, typen of stereotypen. De individuele mens maakt plaats voor een abstracte voorstelling van wat "vrouwen" zouden zijn.

 

Vanuit psychologisch perspectief is dat een belangrijk proces. Mensen hebben van nature de neiging om de complexe werkelijkheid te vereenvoudigen. De sociale wereld is immers buitengewoon ingewikkeld. Iedere persoon heeft een eigen geschiedenis, persoonlijkheid, verlangens, angsten en motieven. Wanneer we anderen werkelijk als individu proberen te begrijpen, vraagt dat tijd, aandacht en empathie. Het is cognitief veel eenvoudiger om mensen onder te brengen in overzichtelijke categorieën.

 

Op zichzelf is dat ook niet per se problematisch. Categoriseren is een fundamenteel onderdeel van menselijk denken. Zonder categorieën zouden we de wereld nauwelijks kunnen begrijpen. Het probleem ontstaat wanneer categorieën de plaats innemen van de mensen die zij oorspronkelijk moesten beschrijven.

 

Dat proces is zichtbaar in veel vormen van ontmenselijking. Individuele ervaringen worden vervangen door algemene uitspraken. De ene vrouw wordt representatief voor alle vrouwen. Persoonlijke teleurstellingen veranderen langzaam in overtuigingen over een hele groep. Wat begint als een ervaring met één persoon groeit uit tot een wereldbeeld en mensvisie.

 

Binnen delen van de manosphere zien we dit proces in versterkte vorm terug. Vrouwen worden daar regelmatig beschreven als voorspelbare wezens die gedreven zouden worden door dezelfde motieven, verlangens en tekortkomingen. De enorme diversiteit die vrouwen in werkelijkheid kenmerkt verdwijnt naar de achtergrond. In plaats daarvan ontstaat een vereenvoudigd beeld dat vooral functioneert als verklaring voor persoonlijke frustraties en teleurstellingen.

 

De sociale psychologie laat zien dat dergelijke processen belangrijke gevolgen hebben voor empathie. Hoe sterker mensen anderen waarnemen als lid van een categorie, hoe moeilijker het wordt om hun individuele perspectief voor ogen te houden. De unieke mens achter de categorie raakt geleidelijk uit beeld. Dat betekent niet dat empathie volledig verdwijnt, maar wel dat zij onder druk komt te staan.

 

Daarom speelt taal een belangrijke rol in processen van ontmenselijking. Woorden beschrijven de werkelijkheid niet alleen; zij vormen haar ook. Wanneer mensen consequent worden aangeduid als typen, groepen of stereotypen, verandert geleidelijk ook de manier waarop wij naar hen kijken. De ander verschijnt steeds minder als individu en steeds meer als vertegenwoordiger van een categorie.

 

Dat inzicht vormt een belangrijke verbinding tussen de psychologie van groepsvorming en het werk van Hannah Arendt. Ontmenselijking begint zelden met openlijke haat. Veel vaker begint zij met een subtiele verschuiving in waarneming. Mensen worden steeds minder gezien in hun unieke menselijkheid en steeds vaker als exemplaren van een groep. Daardoor wordt het gemakkelijker om hun gevoelens, belangen en waardigheid naar de achtergrond te schuiven.

 

Wanneer dat gebeurt, verdwijnt niet alleen de complexiteit van de ander. Dan verdwijnt ook een deel van ons vermogen om ons werkelijk tot die ander te verhouden.

 

 

De kracht van de groep

Mensen vormen hun overtuigingen zelden in volledige afzondering. Hoewel we graag geloven dat onze ideeën het resultaat zijn van onafhankelijke afwegingen, laat psychologisch onderzoek al decennialang zien hoe sterk onze opvattingen worden beïnvloed door de groepen waartoe wij behoren. Mensen zijn sociale wezens. We ontlenen betekenis, identiteit en verbondenheid aan de gemeenschappen waarvan we deel uitmaken. Daardoor hebben groepen een veel grotere invloed op ons denken en handelen dan we vaak beseffen.

 

Dat inzicht vormt een belangrijk onderdeel van het begrijpen van ontmenselijking. Ideeën veranderen namelijk niet alleen doordat mensen nieuwe informatie ontvangen. Veel vaker veranderen zij doordat mensen terechtkomen in sociale omgevingen waarin bepaalde ideeën voortdurend worden bevestigd, gevalideerd en herhaald.

 

De klassieke experimenten van Solomon Asch lieten al zien hoe sterk de druk van een groep kan zijn. Mensen bleken bereid om hun eigen waarneming te negeren wanneer een groep unaniem een andere werkelijkheid presenteerde. Later toonden de experimenten van Stanley Milgram aan hoe ver gewone mensen soms bereid zijn te gaan wanneer een autoriteit bepaald gedrag legitimeert en aanmoedigt. Hoewel deze onderzoeken inmiddels uitvoerig zijn besproken en bekritiseerd, blijft hun centrale inzicht relevant: menselijk gedrag wordt in belangrijke mate gevormd door sociale context.

 

In de digitale wereld hebben deze processen een nieuwe dimensie gekregen. Waar mensen vroeger vooral werden beïnvloed door hun directe omgeving, kunnen zij tegenwoordig terechtkomen in online gemeenschappen die vrijwel volledig bestaan uit gelijkgestemden. Sociale media en algoritmes versterken deze dynamiek. Gebruikers krijgen steeds vaker content te zien die aansluit bij hun bestaande overtuigingen, waardoor alternatieve perspectieven langzaam steeds verder uit beeld kunnen verdwijnen.

 

Binnen dergelijke digitale omgevingen ontstaat gemakkelijk een proces van normalisering. Ideeën die aanvankelijk extreem of onacceptabel lijken, worden steeds vertrouwder naarmate zij vaker worden herhaald. Uitspraken die aanvankelijk weerstand oproepen, verliezen hun schokkende karakter. Wat eerst uitzonderlijk leek, begint normaal te voelen.

 

Dat proces speelt een belangrijke rol binnen delen van de manosphere. Veel mannen komen dergelijke gemeenschappen niet binnen met uitgesproken misogyne overtuigingen. Zij zoeken eerder naar herkenning, begrip of antwoorden op persoonlijke vragen. Juist daarom voelen deze omgevingen vaak aantrekkelijk. Ze bieden gemeenschap, verklaringen en een gevoel van verbondenheid aan mensen die zich afgewezen, eenzaam of onbegrepen voelen.

 

Het probleem ontstaat wanneer de behoefte aan verbondenheid geleidelijk wordt gekoppeld aan een wereldbeeld waarin vrouwen steeds vaker verschijnen als tegenstanders, obstakels of veroorzakers van persoonlijk leed. Omdat deze ideeën voortdurend worden bevestigd door de groep, verliezen zij langzaam hun uitzonderlijke karakter; ze worden onderdeel van de sociale werkelijkheid van de gemeenschap.

 

Hier wordt zichtbaar waarom ontmenselijking zelden begint met haat. Veel vaker begint zij met verbondenheid. Mensen voelen zich gezien door een groep, vinden erkenning voor hun ervaringen en ontwikkelen een gedeelde identiteit. Pas daarna ontstaat het risico dat ook de vijandbeelden van de groep worden overgenomen. Dat maakt deze dynamiek zo ingewikkeld. De menselijke behoefte die eraan ten grondslag ligt is immers volkomen legitiem. Iedereen verlangt naar erkenning, verbondenheid en begrip. Juist dat maakt mensen vatbaar voor gemeenschappen die deze behoeften lijken te vervullen.

 

Wellicht schuilt daarin een van de belangrijkste lessen van de sociale psychologie. Ontmenselijking ontstaat niet alleen doordat mensen de ander minder gaan zien, zij ontstaat ook doordat mensen ergens anders een gevoel van thuis vinden. Een groep kan warmte, erkenning en verbondenheid bieden, terwijl zij tegelijkertijd bijdraagt aan een steeds beperktere blik op degenen die buiten de groep vallen. Wanneer dat gebeurt, verschuift de grens tussen wij en zij langzaam naar de voorgrond. En precies daar ontstaat een voedingsbodem waarin empathie steeds moeilijker kan floreren.

Wanneer pijn een vijand zoekt

Onder veel vormen van ontmenselijking ligt een ervaring die zelden zichtbaar is aan de oppervlakte: pijn. Niet de pijn van degenen die het doelwit worden van haat of vernedering, maar de pijn van degenen die zich tot dergelijke ideeën aangetrokken voelen. Dat betekent niet dat pijn schadelijk gedrag rechtvaardigt, wel helpt het ons te begrijpen waarom bepaalde denkbeelden zo aantrekkelijk kunnen zijn.

 

Mensen hebben van nature behoefte aan betekenis. Wanneer we worden afgewezen, vernederd of teleurgesteld, proberen we te begrijpen wat er is gebeurd. We zoeken naar verklaringen die onze ervaringen begrijpelijk maken en onze gevoelens een plaats geven. Soms leidt dat proces tot zelfreflectie en groei en soms leidt het tot bitterheid en verwijdering.

 

Hier speelt schaamte een belangrijke rol. Schaamte behoort tot de moeilijkst te verdragen menselijke emoties. Anders dan schuld, die betrekking heeft op wat iemand heeft gedaan, raakt schaamte aan wie iemand denkt te zijn. Gevoelens van tekortschieten, afwijzing of falen kunnen daardoor diep ingrijpen in het zelfbeeld. Veel mensen beschikken echter niet over de emotionele vaardigheden om dergelijke gevoelens te herkennen, te verdragen en te verwerken.

 

Wanneer pijn geen taal vindt, zoekt zij vaak een andere uitweg. Verdriet kan veranderen in woede, machteloosheid kan veranderen in controle en afwijzing kan veranderen in vijandigheid. Wat oorspronkelijk een innerlijke worsteling was, krijgt dan een uiterlijke oorzaak. Het probleem wordt verplaatst van de eigen ervaring naar een groep mensen die verantwoordelijk wordt gehouden voor het geleden onrecht.

 

De filosoof Friedrich Nietzsche beschreef een verwant proces met het begrip ressentiment. Ressentiment ontstaat wanneer gevoelens van pijn, onmacht en frustratie zich opstapelen zonder dat zij werkelijk worden verwerkt. Omdat de bron van het lijden moeilijk te verdragen is, verschuift de aandacht naar buiten. De ander wordt verantwoordelijk voor wat men zelf ervaart.

 

Binnen sommige delen van de manosphere is dit mechanisme duidelijk herkenbaar. Persoonlijke ervaringen van afwijzing, eenzaamheid of relationeel falen worden niet langer gezien als individuele ervaringen die om zelfonderzoek vragen, maar als bewijs voor een bredere theorie over vrouwen. De persoonlijke teleurstelling wordt onderdeel van een collectief verhaal. Wat begon als pijn, verandert langzaam in een wereldbeeld.

 

Daardoor ontstaat een gevaarlijke dynamiek. De oorspronkelijke kwetsbaarheid raakt steeds verder uit beeld. Woede is immers gemakkelijker te voelen dan verdriet en verontwaardiging voelt vaak krachtiger dan schaamte. Het aanwijzen van een schuldige biedt meer houvast dan het verdragen van onzekerheid.

 

Toch verdwijnt de onderliggende pijn daarmee niet. Emoties verdwijnen niet zomaar, zij veranderen slechts van vorm. Dat is een van de tragische aspecten van ontmenselijking. Achter veel vormen van vijandigheid schuilt een menselijke kwetsbaarheid die nooit werkelijk onder ogen is gezien. De energie die nodig zou zijn geweest om de eigen pijn te begrijpen, wordt in plaats daarvan ingezet om een vijandbeeld in stand te houden.

 

Dit inzicht vraagt om enige nuance: niet iedere man die worstelt met afwijzing ontwikkelt misogyne overtuigingen en niet iedere ervaring van schaamte leidt tot ressentiment. Menselijk gedrag is daarvoor veel te complex. Maar het helpt wel te begrijpen waarom bepaalde ideeën aantrekkingskracht kunnen uitoefenen op mensen die zich gekwetst, buitengesloten of machteloos voelen.

 

Mogelijk begint de weg naar ontmenselijking daarom niet met haat, maar met emoties waarvoor geen taal bestaat. Emoties die geen plek krijgen, verdwijnen immers niet, zij zoeken hoe dan ook een uitweg. En wanneer die uitweg wordt gevonden in ideologieën die anderen reduceren tot categorieën of vijanden, ontstaat een proces dat uiteindelijk veel verder reikt dan de oorspronkelijke pijn.

 

Daarmee raken we aan een ongemakkelijke conclusie. Ontmenselijking ontstaat niet alleen uit onverschilligheid of kwaadwillendheid; soms ontstaat zij uit menselijke kwetsbaarheid die geen gezonde vorm heeft gevonden om zichzelf te dragen.

 

 

 

Gewone mannen

Aan het begin van dit essay stelde ik de vraag wie de mannen zijn die deelnemen aan processen van objectivering, misogynie en ontmenselijking. Het is een vraag die vaak impliciet wordt beantwoord voordat zij daadwerkelijk wordt gesteld. Veel mensen gaan ervan uit dat dergelijke ontwikkelingen vooral worden gedragen door uitzonderlijke individuen. Door mannen die fundamenteel verschillen van de rest van de samenleving. Door extremisten, psychopaten of andere figuren aan de rand van het sociale spectrum.

 

Dat idee biedt een zekere geruststelling. Het creëert afstand tussen onszelf en het probleem. Zolang ontmenselijking het domein blijft van uitzonderlijke mensen, hoeven we onszelf niet af te vragen welke menselijke mechanismen eraan ten grondslag liggen.

 

De analyse van Hannah Arendt wijst echter in een andere richting. Juist de alledaagsheid van veel vormen van kwaad maakte haar werk zo ontregelend. Ontmenselijking ontstaat vaak niet uit uitzonderlijke slechtheid, maar uit gewone menselijke processen. Uit conformiteit, groepsdruk, vereenvoudiging, projectie, ressentiment en gedachteloosheid. Uit de neiging om de wereld overzichtelijker te maken door complexe mensen terug te brengen tot eenvoudige categorieën.

 

Dat maakt de problematiek van onze tijd tegelijkertijd begrijpelijker en verontrustender.

 

Begrijpelijker, omdat de psychologische mechanismen die we hebben besproken herkenbaar zijn. Iedereen kent afwijzing, onzekerheid en de behoefte aan verbondenheid en erkenning. Iedereen heeft de neiging om ingewikkelde werkelijkheden soms eenvoudiger te maken dan ze zijn.

 

Verontrustender, omdat juist deze alledaagse menselijke eigenschappen een voedingsbodem kunnen vormen voor processen van ontmenselijking wanneer zij worden versterkt door groepen, algoritmes en wereldbeelden en een cultuur die de menselijkheid van anderen steeds verder naar de achtergrond laten verdwijnen.  

 

Dat is de belangrijkste les van dit essay: dat ontmenselijking zelden begint met geweld. Zij begint veel eerder; in de taal die we gebruiken, in de categorieën waarmee we naar anderen kijken, in de verhalen waarmee we onze pijn verklaren en in de groepen die bepalen wie erbij hoort en wie niet.

 

Daarom gaat dit essay uiteindelijk niet alleen over mannen. Het gaat over een samenleving die steeds vaker wordt geconfronteerd met vormen van polarisatie, objectivering en verwijdering. Het gaat over de vraag hoe mensen elkaar uit het oog kunnen verliezen terwijl zij voortdurend met elkaar verbonden lijken. Het gaat over de fragiele processen waardoor een individu langzaam verandert in een stereotype, een stereotype in een vijandbeeld en een vijandbeeld uiteindelijk in een rechtvaardiging voor uitsluiting of vernedering. Juist daarom is het belangrijk om te blijven benadrukken dat de meeste mannen geen monsters zijn.

 

Het zijn gewone mannen.

 

Mannen die verlangen naar liefde, erkenning en verbondenheid. Mannen die worstelen met onzekerheid, afwijzing en teleurstelling. Mannen die proberen betekenis te geven aan hun ervaringen, soms op manieren die hen dichter bij anderen brengen en soms op manieren die hen juist verder verwijderen van de mensen om hen heen.

 

En daarin schuilt ook de waarschuwing die Arendt ons nalaat. Het grootste gevaar voor een beschaving ligt niet uitsluitend in de aanwezigheid van extreme ideeën. Het ligt in het vermogen van gewone mensen om langzaam gewend te raken aan manieren van denken waarin de menselijkheid van de ander steeds verder uit beeld verdwijnt.

 

Want ontmenselijking begint niet wanneer mensen elkaar haten. Zij begint op het moment dat mensen elkaar niet langer werkelijk zien.

 

 

 

Het verloren gezicht

Een opmerkelijk gegeven uit de wereld van gijzelingsonderhandelingen is dat slachtoffers soms worden geadviseerd zichzelf zo menselijk mogelijk te maken. Zij worden aangemoedigd te vertellen over hun kinderen, hun partner, hun werk of hun leven. Door zichzelf zichtbaar te maken als persoon neemt de kans toe dat de gijzelnemer hen blijft zien als mens in plaats van als middel of obstakel.

 

Achter dat advies schuilt een diep psychologisch inzicht.

 

Mensen worden kwetsbaar wanneer hun menselijkheid uit beeld verdwijnt. Zolang iemand verschijnt als persoon, blijven empathie, twijfel en morele terughoudendheid mogelijk. Zodra diezelfde persoon wordt gereduceerd tot een functie, een categorie of een object, verdwijnen ook een aantal natuurlijke remmingen die menselijk samenleven mogelijk maken.

 

Dat inzicht raakt aan iets wat veel verder reikt dan extreme situaties van geweld. Ook in het dagelijks leven worden mensen voortdurend geconfronteerd met krachten die de ander minder zichtbaar maken. Schermen vervangen ontmoetingen, profielen vervangen gezichten, categorieën vervangen personen en algoritmes versterken vooral datgene wat eenvoudig, herkenbaar en voorspelbaar is.

 

De filosoof Emmanuel Levinas stelde dat ethiek begint bij het gezicht van de Ander. Het gezicht herinnert ons eraan dat tegenover ons een mens staat wiens leven even werkelijk en betekenisvol is als het onze. Een mens die niet volledig kan worden teruggebracht tot een functie, een stereotype of een rol.

 

Wanneer die ervaring verzwakt, verandert ook de manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden. Ontmenselijking ontstaat zelden in één moment, zij ontwikkelt zich geleidelijk, in talloze kleine verschuivingen van aandacht, taal en waarneming. Een persoon wordt een stereotype, een stereotype wordt een categorie en een categorie wordt een verklaring voor frustraties en teleurstellingen.

 

Daarin ligt een van de grote uitdagingen van onze tijd. Het vermogen om de mens achter het beeld te blijven zien, achter een profiel een persoon te herkennen en om achter een categorie een leven te blijven vermoeden dat even complex, kwetsbaar en werkelijk is als het onze.

 

Want ontmenselijking begint op het moment dat het gezicht van de ander langzaam uit beeld verdwijnt.

bottom of page